Geen en niet maken allebei een zin ontkennend, en veel cursisten halen ze door elkaar. Het goede nieuws: meestal beslist één vraag. Ontken je een zelfstandig naamwoord met een, of zonder lidwoord? Dan is het meestal geen. In de meeste andere gevallen is het niet.

De regel in één tabel
| Bevestigend | Ontkennend | Waarom |
|---|---|---|
| Ik heb een auto. | Ik heb geen auto. | een + woord wordt geen |
| Ik drink koffie. | Ik drink geen koffie. | woord zonder lidwoord |
| Ik heb broers. | Ik heb geen broers. | meervoud zonder lidwoord |
| Ik werk vandaag. | Ik werk vandaag niet. | werkwoord |
| Het is duur. | Het is niet duur. | bijvoeglijk naamwoord |
| Ik zie de auto. | Ik zie de auto niet. | woord met de of het |
| Dat is mijn fiets. | Dat is mijn fiets niet. | woord met mijn, dit, dat |
Geen: denk aan "geen enkel"
Bij een woord met een of zonder lidwoord gebruik je geen: Ik heb geen tijd, Er is geen melk meer, Ze heeft geen kinderen. Ook in veel vaste uitdrukkingen: Ik heb geen honger, Ik heb geen zin, Geen idee, Geen probleem.
Niet: de rest
Niet gebruik je bij werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden, namen en bepaalde dingen: Ik kom niet, Het is niet ver, Hij rijdt niet snel, Ik ken Anna niet, Ik vind de sleutel niet.
Let op wat je ontkent
Ik spreek geen Nederlands en Ik spreek niet goed Nederlands betekenen iets anders. In de tweede zin ontken je goed, niet het zelfstandig naamwoord, dus gebruik je niet.
Waar staat niet?
- Vaak aan het eind van een korte zin: Ik begrijp het niet.
- Voor een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord als graag: Het is niet moeilijk. Ik fiets niet graag.
- Voor een plaats of richting die bij het werkwoord hoort: Ik ga niet naar huis. Ik woon niet in Amsterdam.
- Voor het werkwoord of de werkwoorden aan het eind: Ik heb het niet gedaan. Ik wil niet komen.
Dit zijn vuistregels. Tijdsbepalingen staan vaak voor niet: Ik werk vandaag niet. Ik werk op maandag niet.
Test jezelf
Vul in, geen of niet: 1. Ik heb ... fiets. 2. Ik fiets ... graag. 3. Ze heeft ... kinderen. 4. Het water is ... koud. 5. Ik heb ... honger. 6. Ik vind mijn telefoon ....
Antwoorden: 1 geen, 2 niet, 3 geen, 4 niet, 5 geen, 6 niet.
Wil je weten welke delen van de grammatica je al beheerst? Doe de gratis niveautest, of oefen elke dag echte zinnen met onze Nederlandse WhatsApp Buddy.