Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau B1 · Regelmatig

Vervoeging van Checken

checken = to check

Hele werkwoord
checken
Verleden tijd
checkte · checkten
Voltooide tijd
heeft gecheckt

Kort antwoord

Checken is in het Engels to check. Verleden tijd: checkte (enkelvoud) en checkten (meervoud). Voltooid deelwoord: gecheckt, met hebben: ik heb gecheckt.

Oefen checken

Tegenwoordige tijd

ikcheck
jijcheckt
hij/zij/hetcheckt
wijchecken
julliechecken
zijchecken

Verleden tijd

ikcheckte
jijcheckte
hij/zij/hetcheckte
wijcheckten
julliecheckten
zijcheckten

Voltooide tijd

ikheb gecheckt
jijhebt gecheckt
hij/zij/hetheeft gecheckt
wijhebben gecheckt
julliehebben gecheckt
zijhebben gecheckt

Voltooid verleden tijd

ikhad gecheckt
jijhad gecheckt
hij/zij/hethad gecheckt
wijhadden gecheckt
julliehadden gecheckt
zijhadden gecheckt

Toekomende tijd

ikzal checken
jijzult checken
hij/zij/hetzal checken
wijzullen checken
julliezullen checken
zijzullen checken

Voorwaardelijke wijs

ikzou checken
jijzou checken
hij/zij/hetzou checken
wijzouden checken
julliezouden checken
zijzouden checken

Oefen checken

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

checken in een zin

Vul de juiste vorm in. De zin laat zien wie het doet en wanneer.

  1. Tegenwoordige tijd

    Ik elke ochtend mijn e-mail.

  2. Verleden tijd

    De conducteur gisteren alle kaartjes in de trein.

  3. Voltooide tijd

    Zij de openingstijden van de winkel al .

  4. Verleden tijd

    Terwijl wij koffie dronken, jullie de rekening.

Zo werkt dit werkwoord

  • Regelmatig werkwoord. De stam is check. In checken staat k voor -en, een van de klanken van 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -te (checkte, checkten) en het voltooid deelwoord eindigt op -t (gecheckt).
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij checkt, maar check jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van checken?

checkte (ik, jij, hij/zij/het) en checkten (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van checken?

gecheckt, met hebben: ik heb gecheckt.

Gebruik je checken met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb gecheckt, hij heeft gecheckt.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.