Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau B1 · Regelmatig

Vervoeging van Pissen

pissen = to piss

Hele werkwoord
pissen
Verleden tijd
piste · pisten
Voltooide tijd
heeft gepist

Kort antwoord

Pissen is in het Engels to piss. Verleden tijd: piste (enkelvoud) en pisten (meervoud). Voltooid deelwoord: gepist, met hebben: ik heb gepist.

Oefen pissen

Tegenwoordige tijd

ikpis
jijpist
hij/zij/hetpist
wijpissen
julliepissen
zijpissen

Verleden tijd

ikpiste
jijpiste
hij/zij/hetpiste
wijpisten
julliepisten
zijpisten

Voltooide tijd

ikheb gepist
jijhebt gepist
hij/zij/hetheeft gepist
wijhebben gepist
julliehebben gepist
zijhebben gepist

Voltooid verleden tijd

ikhad gepist
jijhad gepist
hij/zij/hethad gepist
wijhadden gepist
julliehadden gepist
zijhadden gepist

Toekomende tijd

ikzal pissen
jijzult pissen
hij/zij/hetzal pissen
wijzullen pissen
julliezullen pissen
zijzullen pissen

Voorwaardelijke wijs

ikzou pissen
jijzou pissen
hij/zij/hetzou pissen
wijzouden pissen
julliezouden pissen
zijzouden pissen

Oefen pissen

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

pissen in een zin

Vul de juiste vorm in. De zin laat zien wie het doet en wanneer.

  1. Tegenwoordige tijd

    De kleine jongen tegen de boom.

  2. Verleden tijd

    Onze hond gisteren in de tuin.

  3. Voltooide tijd

    De kat weer op het tapijt .

  4. Bijzin

    Ik wacht buiten omdat mijn broer nog even moet .

Zo werkt dit werkwoord

  • Regelmatig werkwoord. De stam is pis. In pissen staat s voor -en, een van de klanken van 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -te (piste, pisten) en het voltooid deelwoord eindigt op -t (gepist).
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij pist, maar pis jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van pissen?

piste (ik, jij, hij/zij/het) en pisten (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van pissen?

gepist, met hebben: ik heb gepist.

Gebruik je pissen met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb gepist, hij heeft gepist.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.