Dutch Fluency
Узнать свой уровеньУровень
Войти

Уровень A2 · Неправильный, отделяемый

Спряжение Meelopen

meelopen = идти вместе

Инфинитив
meelopen
Прошедшее
liep mee · liepen mee
Перфект
heeft / is meegelopen

Короткий ответ

Meelopen значит «идти вместе». Прошедшее время: liep mee (ед. ч.) и liepen mee (мн. ч.). Причастие (voltooid deelwoord): meegelopen, с hebben / zijn: ik heb / ben meegelopen.

Практика: meelopen

Настоящее (tegenwoordige tijd)

ikloop mee
jijloopt mee
hij/zij/hetloopt mee
wijlopen mee
jullielopen mee
zijlopen mee

Прошедшее (verleden tijd)

ikliep mee
jijliep mee
hij/zij/hetliep mee
wijliepen mee
jullieliepen mee
zijliepen mee

Перфект (voltooide tijd)

ikheb / ben meegelopen
jijhebt / bent meegelopen
hij/zij/hetheeft / is meegelopen
wijhebben / zijn meegelopen
julliehebben / zijn meegelopen
zijhebben / zijn meegelopen

Плюсквамперфект (voltooid verleden tijd)

ikhad / was meegelopen
jijhad / was meegelopen
hij/zij/hethad / was meegelopen
wijhadden / waren meegelopen
julliehadden / waren meegelopen
zijhadden / waren meegelopen

Будущее (toekomende tijd)

ikzal meelopen
jijzult meelopen
hij/zij/hetzal meelopen
wijzullen meelopen
julliezullen meelopen
zijzullen meelopen

Условное наклонение (voorwaardelijke wijs)

ikzou meelopen
jijzou meelopen
hij/zij/hetzou meelopen
wijzouden meelopen
julliezouden meelopen
zijzouden meelopen

Практика: meelopen

Шесть коротких форм. Введите ответ, нажмите Enter и сразу узнайте, верно ли.

1 из 60 ✓

Настоящее

ik

Как работает этот глагол

  • Неправильный глагол: прошедшее время и причастие не следуют правилу -te/-de, поэтому учите три формы вместе: meelopen, liep mee, meegelopen.
  • Отделяемый глагол. В главном предложении приставка mee уходит в конец: ik loop mee. В придаточном она остаётся на месте: ... dat ik meeloop, ... dat ik meeliep.
  • В причастии ge стоит между двумя частями: meegelopen.
  • Hebben или zijn: hebben для самого действия, zijn, когда вы говорите, куда или что изменилось. Ik heb meegelopen in de optocht. Ik ben met haar meegelopen naar het station.

Вопросы о нидерландских глаголах

Какое прошедшее время у meelopen?

liep mee (ik, jij, hij/zij/het) и liepen mee (wij, jullie, zij).

Какое причастие (voltooid deelwoord) у meelopen?

meegelopen, с hebben или zijn в зависимости от значения: Ik heb meegelopen in de optocht. Ik ben met haar meegelopen naar het station.

С чем употребляется meelopen: с hebben или с zijn?

С обоими, в зависимости от значения: Ik heb meegelopen in de optocht. Ik ben met haar meegelopen naar het station.

Другие глаголы

Все глаголыПроверка de или het

Хотите перестать всё проверять?

Бесплатный тест уровня покажет, где сейчас ваш нидерландский и что учить дальше.

Формы сверены с Викисловарём. Сложные времена строятся с hebben, zijn, zullen и zou.