Level A2 · Irregular, separable
Meelopen conjugation
meelopen = to walk along
- Infinitive
- meelopen
- Past
- liep mee · liepen mee
- Perfect
- heeft / is meegelopen
Quick answer
Meelopen means to walk along. Past tense: liep mee (singular) and liepen mee (plural). Past participle: meegelopen, with hebben / zijn: ik heb / ben meegelopen.
Practise meelopenPresent (tegenwoordige tijd)
| ik | loop mee |
| jij | loopt mee |
| hij/zij/het | loopt mee |
| wij | lopen mee |
| jullie | lopen mee |
| zij | lopen mee |
Past (verleden tijd)
| ik | liep mee |
| jij | liep mee |
| hij/zij/het | liep mee |
| wij | liepen mee |
| jullie | liepen mee |
| zij | liepen mee |
Perfect (voltooide tijd)
| ik | heb / ben meegelopen |
| jij | hebt / bent meegelopen |
| hij/zij/het | heeft / is meegelopen |
| wij | hebben / zijn meegelopen |
| jullie | hebben / zijn meegelopen |
| zij | hebben / zijn meegelopen |
Past perfect (voltooid verleden tijd)
| ik | had / was meegelopen |
| jij | had / was meegelopen |
| hij/zij/het | had / was meegelopen |
| wij | hadden / waren meegelopen |
| jullie | hadden / waren meegelopen |
| zij | hadden / waren meegelopen |
Future (toekomende tijd)
| ik | zal meelopen |
| jij | zult meelopen |
| hij/zij/het | zal meelopen |
| wij | zullen meelopen |
| jullie | zullen meelopen |
| zij | zullen meelopen |
Conditional (voorwaardelijke wijs)
| ik | zou meelopen |
| jij | zou meelopen |
| hij/zij/het | zou meelopen |
| wij | zouden meelopen |
| jullie | zouden meelopen |
| zij | zouden meelopen |
Practise meelopen
Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.
Present
How this verb works
- Irregular verb: the past tense and participle do not follow the regular -te/-de pattern, so learn the three forms together: meelopen, liep mee, meegelopen.
- Separable verb. In a main clause the prefix mee goes to the end: ik loop mee. In a subordinate clause it stays attached: ... dat ik meeloop, ... dat ik meeliep.
- In the participle, ge goes between the two parts: meegelopen.
- Hebben or zijn: hebben for the activity itself, zijn when you say where to or what changed. Ik heb meegelopen in de optocht. Ik ben met haar meegelopen naar het station.
Questions about Dutch verbs
What is the past tense of meelopen?
liep mee (ik, jij, hij/zij/het) and liepen mee (wij, jullie, zij).
What is the past participle of meelopen?
meegelopen, with hebben or zijn depending on the meaning: Ik heb meegelopen in de optocht. Ik ben met haar meegelopen naar het station.
Is meelopen used with hebben or zijn?
Both, depending on the meaning: Ik heb meegelopen in de optocht. Ik ben met haar meegelopen naar het station.
More verbs
Want to stop looking words up?
The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.
Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.