Dutch Fluency
Визнач мій рівеньРівень
Увійти

Рівень A1 · Неправильне, відокремлюване

Відмінювання Opstaan

opstaan = вставати

Інфінітив
opstaan
Минулий
stond op · stonden op
Перфект
is opgestaan

Коротка відповідь

Opstaan означає «вставати». Минулий час: stond op (однина) і stonden op (множина). Дієприкметник (voltooid deelwoord): opgestaan, з zijn: ik ben opgestaan.

Практика: opstaan

Теперішній (tegenwoordige tijd)

iksta op
jijstaat op
hij/zij/hetstaat op
wijstaan op
julliestaan op
zijstaan op

Минулий (verleden tijd)

ikstond op
jijstond op
hij/zij/hetstond op
wijstonden op
julliestonden op
zijstonden op

Перфект (voltooide tijd)

ikben opgestaan
jijbent opgestaan
hij/zij/hetis opgestaan
wijzijn opgestaan
julliezijn opgestaan
zijzijn opgestaan

Давноминулий (voltooid verleden tijd)

ikwas opgestaan
jijwas opgestaan
hij/zij/hetwas opgestaan
wijwaren opgestaan
julliewaren opgestaan
zijwaren opgestaan

Майбутній (toekomende tijd)

ikzal opstaan
jijzult opstaan
hij/zij/hetzal opstaan
wijzullen opstaan
julliezullen opstaan
zijzullen opstaan

Умовний спосіб (voorwaardelijke wijs)

ikzou opstaan
jijzou opstaan
hij/zij/hetzou opstaan
wijzouden opstaan
julliezouden opstaan
zijzouden opstaan

Практика: opstaan

Шість коротких форм. Введіть відповідь, натисніть Enter і одразу побачите, чи правильно.

1 з 60 ✓

Теперішній

ik

Як працює це дієслово

  • Неправильне дієслово: минулий час і дієприкметник не йдуть за правилом -te/-de, тож вчіть три форми разом: opstaan, stond op, opgestaan.
  • Відокремлюване дієслово. У головному реченні префікс op іде в кінець: ik sta op. У підрядному він лишається на місці: ... dat ik opsta, ... dat ik opstond.
  • У дієприкметнику ge стоїть між двома частинами: opgestaan.
  • Перфект із zijn: ik ben opgestaan, а не ik heb opgestaan.

Питання про нідерландські дієслова

Яка форма минулого часу в opstaan?

stond op (ik, jij, hij/zij/het) і stonden op (wij, jullie, zij).

Який дієприкметник (voltooid deelwoord) у opstaan?

opgestaan, з zijn: ik ben opgestaan.

З чим уживається opstaan: з hebben чи з zijn?

З zijn: ik ben opgestaan, hij is opgestaan.

Інші дієслова

Усі дієсловаПеревірка de чи het

Хочете перестати все перевіряти?

Безкоштовний тест рівня покаже, де зараз ваша нідерландська і що вчити далі.

Форми звірено з Вікісловником. Складені часи будуються з hebben, zijn, zullen і zou.