Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B1 · Regular

Conjugación de Doneren

doneren = donar

Infinitivo
doneren
Pasado
doneerde · doneerden
Perfecto
heeft gedoneerd

Respuesta rápida

Doneren significa donar. Pasado: doneerde (singular) y doneerden (plural). Participio: gedoneerd, con hebben: ik heb gedoneerd.

Practica doneren

Presente (tegenwoordige tijd)

ikdoneer
jijdoneert
hij/zij/hetdoneert
wijdoneren
julliedoneren
zijdoneren

Pasado (verleden tijd)

ikdoneerde
jijdoneerde
hij/zij/hetdoneerde
wijdoneerden
julliedoneerden
zijdoneerden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gedoneerd
jijhebt gedoneerd
hij/zij/hetheeft gedoneerd
wijhebben gedoneerd
julliehebben gedoneerd
zijhebben gedoneerd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gedoneerd
jijhad gedoneerd
hij/zij/hethad gedoneerd
wijhadden gedoneerd
julliehadden gedoneerd
zijhadden gedoneerd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal doneren
jijzult doneren
hij/zij/hetzal doneren
wijzullen doneren
julliezullen doneren
zijzullen doneren

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou doneren
jijzou doneren
hij/zij/hetzou doneren
wijzouden doneren
julliezouden doneren
zijzouden doneren

Practica doneren

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

doneren en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Ik elke maand tien euro aan het goede doel.

  2. Pasado

    Vorige week mijn buurman zijn oude fiets.

  3. Pretérito perfecto

    Jullie veel geld aan de school .

  4. Oración subordinada

    Ze zijn blij omdat veel mensen kleren .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es doneer. En el infinitivo doneren hay una r antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (doneerde, doneerden) y el participio termina en -d (gedoneerd).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij doneert, pero doneer jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de doneren?

doneerde (ik, jij, hij/zij/het) y doneerden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de doneren?

gedoneerd, con hebben: ik heb gedoneerd.

¿El verbo doneren va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gedoneerd, hij heeft gedoneerd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.