Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B1 · Irregular

Conjugación de Genezen

genezen = curar

Infinitivo
genezen
Pasado
genas · genazen
Perfecto
heeft / is genezen

Respuesta rápida

Genezen significa curar. Pasado: genas (singular) y genazen (plural). Participio: genezen, con hebben / zijn: ik heb / ben genezen.

Practica genezen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikgenees
jijgeneest
hij/zij/hetgeneest
wijgenezen
julliegenezen
zijgenezen

Pasado (verleden tijd)

ikgenas
jijgenas
hij/zij/hetgenas
wijgenazen
julliegenazen
zijgenazen

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb / ben genezen
jijhebt / bent genezen
hij/zij/hetheeft / is genezen
wijhebben / zijn genezen
julliehebben / zijn genezen
zijhebben / zijn genezen

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad / was genezen
jijhad / was genezen
hij/zij/hethad / was genezen
wijhadden / waren genezen
julliehadden / waren genezen
zijhadden / waren genezen

Futuro (toekomende tijd)

ikzal genezen
jijzult genezen
hij/zij/hetzal genezen
wijzullen genezen
julliezullen genezen
zijzullen genezen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou genezen
jijzou genezen
hij/zij/hetzou genezen
wijzouden genezen
julliezouden genezen
zijzouden genezen

Practica genezen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

genezen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    De wond meestal binnen een week.

  2. Pasado

    De dokter de zieke man met een nieuw medicijn.

  3. Pretérito perfecto

    De wond van mijn been gelukkig snel .

  4. Pretérito perfecto

    De arts de patiënt volledig .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo irregular: el pasado y el participio no siguen el patrón regular con -te/-de, así que aprende las tres formas juntas: genezen, genas, genezen.
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij geneest, pero genees jij?
  • Hebben o zijn: hebben para la actividad en sí, zijn cuando dices adónde o qué cambió. De arts heeft de patiënt genezen. De wond is snel genezen.

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de genezen?

genas (ik, jij, hij/zij/het) y genazen (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de genezen?

genezen, con hebben o zijn según el significado: De arts heeft de patiënt genezen. De wond is snel genezen.

¿El verbo genezen va con hebben o con zijn?

Con los dos, según el significado: De arts heeft de patiënt genezen. De wond is snel genezen.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.