Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B2 · Irregular

Conjugación de Rijzen

rijzen = subir

Infinitivo
rijzen
Pasado
rees · rezen
Perfecto
is gerezen

Respuesta rápida

Rijzen significa subir. Pasado: rees (singular) y rezen (plural). Participio: gerezen, con zijn: ik ben gerezen.

Practica rijzen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikrijs
jijrijst
hij/zij/hetrijst
wijrijzen
jullierijzen
zijrijzen

Pasado (verleden tijd)

ikrees
jijrees
hij/zij/hetrees
wijrezen
jullierezen
zijrezen

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikben gerezen
jijbent gerezen
hij/zij/hetis gerezen
wijzijn gerezen
julliezijn gerezen
zijzijn gerezen

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikwas gerezen
jijwas gerezen
hij/zij/hetwas gerezen
wijwaren gerezen
julliewaren gerezen
zijwaren gerezen

Futuro (toekomende tijd)

ikzal rijzen
jijzult rijzen
hij/zij/hetzal rijzen
wijzullen rijzen
julliezullen rijzen
zijzullen rijzen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou rijzen
jijzou rijzen
hij/zij/hetzou rijzen
wijzouden rijzen
julliezouden rijzen
zijzouden rijzen

Practica rijzen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

rijzen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    De zon in de zomer al om vijf uur.

  2. Pasado

    De prijzen vorig jaar sterk.

  3. Pretérito perfecto

    De rook langzaam naar boven .

  4. Pasado

    De temperatuur gisteren tot dertig graden.

Cómo funciona este verbo

  • Verbo irregular: el pasado y el participio no siguen el patrón regular con -te/-de, así que aprende las tres formas juntas: rijzen, rees, gerezen.
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij rijst, pero rijs jij?
  • Perfecto con zijn: ik ben gerezen, no ik heb gerezen.

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de rijzen?

rees (ik, jij, hij/zij/het) y rezen (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de rijzen?

gerezen, con zijn: ik ben gerezen.

¿El verbo rijzen va con hebben o con zijn?

Con zijn: ik ben gerezen, hij is gerezen.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.