Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B1 · Regular

Conjugación de Schelen

schelen = importar

Infinitivo
schelen
Pasado
scheelde · scheelden
Perfecto
heeft gescheeld

Respuesta rápida

Schelen significa importar. Pasado: scheelde (singular) y scheelden (plural). Participio: gescheeld, con hebben: ik heb gescheeld.

Practica schelen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikscheel
jijscheelt
hij/zij/hetscheelt
wijschelen
jullieschelen
zijschelen

Pasado (verleden tijd)

ikscheelde
jijscheelde
hij/zij/hetscheelde
wijscheelden
julliescheelden
zijscheelden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gescheeld
jijhebt gescheeld
hij/zij/hetheeft gescheeld
wijhebben gescheeld
julliehebben gescheeld
zijhebben gescheeld

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gescheeld
jijhad gescheeld
hij/zij/hethad gescheeld
wijhadden gescheeld
julliehadden gescheeld
zijhadden gescheeld

Futuro (toekomende tijd)

ikzal schelen
jijzult schelen
hij/zij/hetzal schelen
wijzullen schelen
julliezullen schelen
zijzullen schelen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou schelen
jijzou schelen
hij/zij/hetzou schelen
wijzouden schelen
julliezouden schelen
zijzouden schelen

Practica schelen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

schelen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Mijn zus en ik zijn bijna even oud, want er maar een jaar.

  2. Pretérito perfecto

    Het hem nooit wat andere mensen van hem vonden.

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es scheel. En el infinitivo schelen hay una l antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (scheelde, scheelden) y el participio termina en -d (gescheeld).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij scheelt, pero scheel jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de schelen?

scheelde (ik, jij, hij/zij/het) y scheelden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de schelen?

gescheeld, con hebben: ik heb gescheeld.

¿El verbo schelen va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gescheeld, hij heeft gescheeld.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.