Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B1 · Irregular

Conjugación de Steken

steken = picar, pinchar

Infinitivo
steken
Pasado
stak · staken
Perfecto
heeft gestoken

Respuesta rápida

Steken significa picar, pinchar. Pasado: stak (singular) y staken (plural). Participio: gestoken, con hebben: ik heb gestoken.

Practica steken

Presente (tegenwoordige tijd)

iksteek
jijsteekt
hij/zij/hetsteekt
wijsteken
julliesteken
zijsteken

Pasado (verleden tijd)

ikstak
jijstak
hij/zij/hetstak
wijstaken
julliestaken
zijstaken

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gestoken
jijhebt gestoken
hij/zij/hetheeft gestoken
wijhebben gestoken
julliehebben gestoken
zijhebben gestoken

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gestoken
jijhad gestoken
hij/zij/hethad gestoken
wijhadden gestoken
julliehadden gestoken
zijhadden gestoken

Futuro (toekomende tijd)

ikzal steken
jijzult steken
hij/zij/hetzal steken
wijzullen steken
julliezullen steken
zijzullen steken

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou steken
jijzou steken
hij/zij/hetzou steken
wijzouden steken
julliezouden steken
zijzouden steken

Practica steken

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

steken en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    De bij mij altijd in mijn arm.

  2. Pasado

    Gisteren een mug mij in mijn been.

  3. Pretérito perfecto

    De wesp het kind in zijn hand .

  4. Oración subordinada

    Hij schreeuwde omdat de distel hem in zijn vinger .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo irregular: el pasado y el participio no siguen el patrón regular con -te/-de, así que aprende las tres formas juntas: steken, stak, gestoken.
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij steekt, pero steek jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de steken?

stak (ik, jij, hij/zij/het) y staken (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de steken?

gestoken, con hebben: ik heb gestoken.

¿El verbo steken va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gestoken, hij heeft gestoken.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.