Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A2 · Irregular

Conjugación de Vechten

vechten = luchar

Infinitivo
vechten
Pasado
vocht · vochten
Perfecto
heeft gevochten

Respuesta rápida

Vechten significa luchar. Pasado: vocht (singular) y vochten (plural). Participio: gevochten, con hebben: ik heb gevochten.

Practica vechten

Presente (tegenwoordige tijd)

ikvecht
jijvecht
hij/zij/hetvecht
wijvechten
jullievechten
zijvechten

Pasado (verleden tijd)

ikvocht
jijvocht
hij/zij/hetvocht
wijvochten
jullievochten
zijvochten

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gevochten
jijhebt gevochten
hij/zij/hetheeft gevochten
wijhebben gevochten
julliehebben gevochten
zijhebben gevochten

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gevochten
jijhad gevochten
hij/zij/hethad gevochten
wijhadden gevochten
julliehadden gevochten
zijhadden gevochten

Futuro (toekomende tijd)

ikzal vechten
jijzult vechten
hij/zij/hetzal vechten
wijzullen vechten
julliezullen vechten
zijzullen vechten

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou vechten
jijzou vechten
hij/zij/hetzou vechten
wijzouden vechten
julliezouden vechten
zijzouden vechten

Practica vechten

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

vechten en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    De twee broers vaak om het speelgoed.

  2. Pasado

    Vroeger ik veel met mijn zus.

  3. Pretérito perfecto

    Die jongens gisteren op school .

  4. Oración subordinada

    De leraar werd boos, toen de kinderen op het plein .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo irregular: el pasado y el participio no siguen el patrón regular con -te/-de, así que aprende las tres formas juntas: vechten, vocht, gevochten.

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de vechten?

vocht (ik, jij, hij/zij/het) y vochten (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de vechten?

gevochten, con hebben: ik heb gevochten.

¿El verbo vechten va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gevochten, hij heeft gevochten.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.