Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Trillen conjugation

trillen = to tremble or vibrate

Infinitive
trillen
Past
trilde · trilden
Perfect
heeft getrild

Quick answer

Trillen means to tremble or vibrate. Past tense: trilde (singular) and trilden (plural). Past participle: getrild, with hebben: ik heb getrild.

Practise trillen

Present (tegenwoordige tijd)

iktril
jijtrilt
hij/zij/hettrilt
wijtrillen
jullietrillen
zijtrillen

Past (verleden tijd)

iktrilde
jijtrilde
hij/zij/hettrilde
wijtrilden
jullietrilden
zijtrilden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb getrild
jijhebt getrild
hij/zij/hetheeft getrild
wijhebben getrild
julliehebben getrild
zijhebben getrild

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad getrild
jijhad getrild
hij/zij/hethad getrild
wijhadden getrild
julliehadden getrild
zijhadden getrild

Future (toekomende tijd)

ikzal trillen
jijzult trillen
hij/zij/hetzal trillen
wijzullen trillen
julliezullen trillen
zijzullen trillen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou trillen
jijzou trillen
hij/zij/hetzou trillen
wijzouden trillen
julliezouden trillen
zijzouden trillen

Practise trillen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is tril. The infinitive trillen has l before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (trilde, trilden) and the participle ends in -d (getrild).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij trilt, but tril jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of trillen?

trilde (ik, jij, hij/zij/het) and trilden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of trillen?

getrild, with hebben: ik heb getrild.

Is trillen used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb getrild, hij heeft getrild.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.