Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A2 · Regular

Conjugación de Winkelen

winkelen = ir de compras

Infinitivo
winkelen
Pasado
winkelde · winkelden
Perfecto
heeft gewinkeld

Respuesta rápida

Winkelen significa ir de compras. Pasado: winkelde (singular) y winkelden (plural). Participio: gewinkeld, con hebben: ik heb gewinkeld.

Practica winkelen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikwinkel
jijwinkelt
hij/zij/hetwinkelt
wijwinkelen
julliewinkelen
zijwinkelen

Pasado (verleden tijd)

ikwinkelde
jijwinkelde
hij/zij/hetwinkelde
wijwinkelden
julliewinkelden
zijwinkelden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gewinkeld
jijhebt gewinkeld
hij/zij/hetheeft gewinkeld
wijhebben gewinkeld
julliehebben gewinkeld
zijhebben gewinkeld

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gewinkeld
jijhad gewinkeld
hij/zij/hethad gewinkeld
wijhadden gewinkeld
julliehadden gewinkeld
zijhadden gewinkeld

Futuro (toekomende tijd)

ikzal winkelen
jijzult winkelen
hij/zij/hetzal winkelen
wijzullen winkelen
julliezullen winkelen
zijzullen winkelen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou winkelen
jijzou winkelen
hij/zij/hetzou winkelen
wijzouden winkelen
julliezouden winkelen
zijzouden winkelen

Practica winkelen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

winkelen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Ik graag op zaterdag in de stad.

  2. Pasado

    Gisteren wij de hele middag in het centrum.

  3. Pretérito perfecto

    Mijn zus vanmorgen urenlang .

  4. Presente

    Jullie vaak samen als het regent.

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es winkel. En el infinitivo winkelen hay una l antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (winkelde, winkelden) y el participio termina en -d (gewinkeld).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij winkelt, pero winkel jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de winkelen?

winkelde (ik, jij, hij/zij/het) y winkelden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de winkelen?

gewinkeld, con hebben: ik heb gewinkeld.

¿El verbo winkelen va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gewinkeld, hij heeft gewinkeld.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.