Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A2 · Regular

Pakken conjugation

pakken = to grab, fetch

Infinitive
pakken
Past
pakte · pakten
Perfect
heeft gepakt

Quick answer

Pakken means to grab, fetch. Past tense: pakte (singular) and pakten (plural). Past participle: gepakt, with hebben: ik heb gepakt.

Practise pakken

Present (tegenwoordige tijd)

ikpak
jijpakt
hij/zij/hetpakt
wijpakken
julliepakken
zijpakken

Past (verleden tijd)

ikpakte
jijpakte
hij/zij/hetpakte
wijpakten
julliepakten
zijpakten

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gepakt
jijhebt gepakt
hij/zij/hetheeft gepakt
wijhebben gepakt
julliehebben gepakt
zijhebben gepakt

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gepakt
jijhad gepakt
hij/zij/hethad gepakt
wijhadden gepakt
julliehadden gepakt
zijhadden gepakt

Future (toekomende tijd)

ikzal pakken
jijzult pakken
hij/zij/hetzal pakken
wijzullen pakken
julliezullen pakken
zijzullen pakken

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou pakken
jijzou pakken
hij/zij/hetzou pakken
wijzouden pakken
julliezouden pakken
zijzouden pakken

Practise pakken

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is pak. The infinitive pakken has k before -en, one of the sounds in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -te (pakte, pakten) and the participle ends in -t (gepakt).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij pakt, but pak jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of pakken?

pakte (ik, jij, hij/zij/het) and pakten (wij, jullie, zij).

What is the past participle of pakken?

gepakt, with hebben: ik heb gepakt.

Is pakken used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gepakt, hij heeft gepakt.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.