Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B1 · Regular

Conjugación de Zoomen

zoomen = ampliar

Infinitivo
zoomen
Pasado
zoomde · zoomden
Perfecto
heeft gezoomd

Respuesta rápida

Zoomen significa ampliar. Pasado: zoomde (singular) y zoomden (plural). Participio: gezoomd, con hebben: ik heb gezoomd.

Practica zoomen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikzoom
jijzoomt
hij/zij/hetzoomt
wijzoomen
julliezoomen
zijzoomen

Pasado (verleden tijd)

ikzoomde
jijzoomde
hij/zij/hetzoomde
wijzoomden
julliezoomden
zijzoomden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gezoomd
jijhebt gezoomd
hij/zij/hetheeft gezoomd
wijhebben gezoomd
julliehebben gezoomd
zijhebben gezoomd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gezoomd
jijhad gezoomd
hij/zij/hethad gezoomd
wijhadden gezoomd
julliehadden gezoomd
zijhadden gezoomd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal zoomen
jijzult zoomen
hij/zij/hetzal zoomen
wijzullen zoomen
julliezullen zoomen
zijzullen zoomen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou zoomen
jijzou zoomen
hij/zij/hetzou zoomen
wijzouden zoomen
julliezouden zoomen
zijzouden zoomen

Practica zoomen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

zoomen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Jullie elke dinsdag met de klas.

  2. Pasado

    Vorig jaar wij elke week met opa.

  3. Pretérito perfecto

    Zij gisteren een uur met haar collega's .

  4. Oración subordinada

    Ik blijf thuis omdat ik met mijn baas .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es zoom. En el infinitivo zoomen hay una m antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (zoomde, zoomden) y el participio termina en -d (gezoomd).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij zoomt, pero zoom jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de zoomen?

zoomde (ik, jij, hij/zij/het) y zoomden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de zoomen?

gezoomd, con hebben: ik heb gezoomd.

¿El verbo zoomen va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gezoomd, hij heeft gezoomd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.