Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau A1 · Regelmatig

Vervoeging van Leren

leren = to learn, teach

Hele werkwoord
leren
Verleden tijd
leerde · leerden
Voltooide tijd
heeft geleerd

Kort antwoord

Leren is in het Engels to learn, teach. Verleden tijd: leerde (enkelvoud) en leerden (meervoud). Voltooid deelwoord: geleerd, met hebben: ik heb geleerd.

Oefen leren

Tegenwoordige tijd

ikleer
jijleert
hij/zij/hetleert
wijleren
jullieleren
zijleren

Verleden tijd

ikleerde
jijleerde
hij/zij/hetleerde
wijleerden
jullieleerden
zijleerden

Voltooide tijd

ikheb geleerd
jijhebt geleerd
hij/zij/hetheeft geleerd
wijhebben geleerd
julliehebben geleerd
zijhebben geleerd

Voltooid verleden tijd

ikhad geleerd
jijhad geleerd
hij/zij/hethad geleerd
wijhadden geleerd
julliehadden geleerd
zijhadden geleerd

Toekomende tijd

ikzal leren
jijzult leren
hij/zij/hetzal leren
wijzullen leren
julliezullen leren
zijzullen leren

Voorwaardelijke wijs

ikzou leren
jijzou leren
hij/zij/hetzou leren
wijzouden leren
julliezouden leren
zijzouden leren

Oefen leren

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

Zo werkt dit werkwoord

  • Regelmatig werkwoord. De stam is leer. In leren staat r voor -en, en die zit niet in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -de (leerde, leerden) en het voltooid deelwoord eindigt op -d (geleerd).
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij leert, maar leer jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van leren?

leerde (ik, jij, hij/zij/het) en leerden (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van leren?

geleerd, met hebben: ik heb geleerd.

Gebruik je leren met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb geleerd, hij heeft geleerd.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.