Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau A2 · Regelmatig

Vervoeging van Passen

passen = to fit, try on

Hele werkwoord
passen
Verleden tijd
paste · pasten
Voltooide tijd
heeft gepast

Kort antwoord

Passen is in het Engels to fit, try on. Verleden tijd: paste (enkelvoud) en pasten (meervoud). Voltooid deelwoord: gepast, met hebben: ik heb gepast.

Oefen passen

Tegenwoordige tijd

ikpas
jijpast
hij/zij/hetpast
wijpassen
julliepassen
zijpassen

Verleden tijd

ikpaste
jijpaste
hij/zij/hetpaste
wijpasten
julliepasten
zijpasten

Voltooide tijd

ikheb gepast
jijhebt gepast
hij/zij/hetheeft gepast
wijhebben gepast
julliehebben gepast
zijhebben gepast

Voltooid verleden tijd

ikhad gepast
jijhad gepast
hij/zij/hethad gepast
wijhadden gepast
julliehadden gepast
zijhadden gepast

Toekomende tijd

ikzal passen
jijzult passen
hij/zij/hetzal passen
wijzullen passen
julliezullen passen
zijzullen passen

Voorwaardelijke wijs

ikzou passen
jijzou passen
hij/zij/hetzou passen
wijzouden passen
julliezouden passen
zijzouden passen

Oefen passen

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

passen in een zin

Vul de juiste vorm in. De zin laat zien wie het doet en wanneer.

  1. Tegenwoordige tijd

    Deze blauwe jas mij heel goed.

  2. Verleden tijd

    Gisteren ik drie broeken in de winkel.

  3. Bijzin

    Ik koop deze jurk omdat hij zo goed .

  4. Tegenwoordige tijd

    Jullie die rode truien nu in de winkel.

Zo werkt dit werkwoord

  • Regelmatig werkwoord. De stam is pas. In passen staat s voor -en, een van de klanken van 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -te (paste, pasten) en het voltooid deelwoord eindigt op -t (gepast).
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij past, maar pas jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van passen?

paste (ik, jij, hij/zij/het) en pasten (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van passen?

gepast, met hebben: ik heb gepast.

Gebruik je passen met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb gepast, hij heeft gepast.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.