Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau B1 · Regelmatig

Vervoeging van Rommelen

rommelen = to rumble, fiddle around

Hele werkwoord
rommelen
Verleden tijd
rommelde · rommelden
Voltooide tijd
heeft gerommeld

Kort antwoord

Rommelen is in het Engels to rumble, fiddle around. Verleden tijd: rommelde (enkelvoud) en rommelden (meervoud). Voltooid deelwoord: gerommeld, met hebben: ik heb gerommeld.

Oefen rommelen

Tegenwoordige tijd

ikrommel
jijrommelt
hij/zij/hetrommelt
wijrommelen
jullierommelen
zijrommelen

Verleden tijd

ikrommelde
jijrommelde
hij/zij/hetrommelde
wijrommelden
jullierommelden
zijrommelden

Voltooide tijd

ikheb gerommeld
jijhebt gerommeld
hij/zij/hetheeft gerommeld
wijhebben gerommeld
julliehebben gerommeld
zijhebben gerommeld

Voltooid verleden tijd

ikhad gerommeld
jijhad gerommeld
hij/zij/hethad gerommeld
wijhadden gerommeld
julliehadden gerommeld
zijhadden gerommeld

Toekomende tijd

ikzal rommelen
jijzult rommelen
hij/zij/hetzal rommelen
wijzullen rommelen
julliezullen rommelen
zijzullen rommelen

Voorwaardelijke wijs

ikzou rommelen
jijzou rommelen
hij/zij/hetzou rommelen
wijzouden rommelen
julliezouden rommelen
zijzouden rommelen

Oefen rommelen

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

rommelen in een zin

Vul de juiste vorm in. De zin laat zien wie het doet en wanneer.

  1. Tegenwoordige tijd

    Mijn vader elke zaterdag in de garage.

  2. Verleden tijd

    Gisteravond de kinderen urenlang op zolder.

  3. Bijzin

    Ik hoor je niet, omdat ik in de keuken .

  4. Verleden tijd

    Toen de storm kwam, de donder boven het dorp.

Zo werkt dit werkwoord

  • Regelmatig werkwoord. De stam is rommel. In rommelen staat l voor -en, en die zit niet in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -de (rommelde, rommelden) en het voltooid deelwoord eindigt op -d (gerommeld).
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij rommelt, maar rommel jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van rommelen?

rommelde (ik, jij, hij/zij/het) en rommelden (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van rommelen?

gerommeld, met hebben: ik heb gerommeld.

Gebruik je rommelen met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb gerommeld, hij heeft gerommeld.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.