Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau A2 · Regelmatig

Vervoeging van Sneeuwen

sneeuwen = to snow

Hele werkwoord
sneeuwen
Verleden tijd
sneeuwde · sneeuwden
Voltooide tijd
heeft gesneeuwd

Kort antwoord

Sneeuwen is in het Engels to snow. Verleden tijd: sneeuwde (enkelvoud) en sneeuwden (meervoud). Voltooid deelwoord: gesneeuwd, met hebben: ik heb gesneeuwd.

Oefen sneeuwen

Tegenwoordige tijd

iksneeuw
jijsneeuwt
hij/zij/hetsneeuwt
wijsneeuwen
julliesneeuwen
zijsneeuwen

Verleden tijd

iksneeuwde
jijsneeuwde
hij/zij/hetsneeuwde
wijsneeuwden
julliesneeuwden
zijsneeuwden

Voltooide tijd

ikheb gesneeuwd
jijhebt gesneeuwd
hij/zij/hetheeft gesneeuwd
wijhebben gesneeuwd
julliehebben gesneeuwd
zijhebben gesneeuwd

Voltooid verleden tijd

ikhad gesneeuwd
jijhad gesneeuwd
hij/zij/hethad gesneeuwd
wijhadden gesneeuwd
julliehadden gesneeuwd
zijhadden gesneeuwd

Toekomende tijd

ikzal sneeuwen
jijzult sneeuwen
hij/zij/hetzal sneeuwen
wijzullen sneeuwen
julliezullen sneeuwen
zijzullen sneeuwen

Voorwaardelijke wijs

ikzou sneeuwen
jijzou sneeuwen
hij/zij/hetzou sneeuwen
wijzouden sneeuwen
julliezouden sneeuwen
zijzouden sneeuwen

Oefen sneeuwen

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

sneeuwen in een zin

Vul de juiste vorm in. De zin laat zien wie het doet en wanneer.

  1. Tegenwoordige tijd

    In januari het hier vaak.

  2. Verleden tijd

    Gisteravond het de hele nacht in de bergen.

  3. Voltooide tijd

    Het vannacht heel hard .

  4. Bijzin

    De kinderen zijn blij omdat het vandaag eindelijk .

Zo werkt dit werkwoord

  • Regelmatig werkwoord. De stam is sneeuw. In sneeuwen staat w voor -en, en die zit niet in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -de (sneeuwde, sneeuwden) en het voltooid deelwoord eindigt op -d (gesneeuwd).
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij sneeuwt, maar sneeuw jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van sneeuwen?

sneeuwde (ik, jij, hij/zij/het) en sneeuwden (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van sneeuwen?

gesneeuwd, met hebben: ik heb gesneeuwd.

Gebruik je sneeuwen met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb gesneeuwd, hij heeft gesneeuwd.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.