Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau A2 · Regelmatig

Vervoeging van Surfen

surfen = to surf

Hele werkwoord
surfen
Verleden tijd
surfte · surften
Voltooide tijd
heeft gesurft

Kort antwoord

Surfen is in het Engels to surf. Verleden tijd: surfte (enkelvoud) en surften (meervoud). Voltooid deelwoord: gesurft, met hebben: ik heb gesurft.

Oefen surfen

Tegenwoordige tijd

iksurf
jijsurft
hij/zij/hetsurft
wijsurfen
julliesurfen
zijsurfen

Verleden tijd

iksurfte
jijsurfte
hij/zij/hetsurfte
wijsurften
julliesurften
zijsurften

Voltooide tijd

ikheb gesurft
jijhebt gesurft
hij/zij/hetheeft gesurft
wijhebben gesurft
julliehebben gesurft
zijhebben gesurft

Voltooid verleden tijd

ikhad gesurft
jijhad gesurft
hij/zij/hethad gesurft
wijhadden gesurft
julliehadden gesurft
zijhadden gesurft

Toekomende tijd

ikzal surfen
jijzult surfen
hij/zij/hetzal surfen
wijzullen surfen
julliezullen surfen
zijzullen surfen

Voorwaardelijke wijs

ikzou surfen
jijzou surfen
hij/zij/hetzou surfen
wijzouden surfen
julliezouden surfen
zijzouden surfen

Oefen surfen

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

surfen in een zin

Vul de juiste vorm in. De zin laat zien wie het doet en wanneer.

  1. Tegenwoordige tijd

    Ik elke avond een uur op internet.

  2. Verleden tijd

    Wij vorige zomer elke dag in de zee.

  3. Voltooide tijd

    Jij vanmorgen urenlang op je telefoon .

  4. Bijzin

    Mijn broer is blij, omdat hij vandaag mag .

Zo werkt dit werkwoord

  • Regelmatig werkwoord. De stam is surf. In surfen staat f voor -en, een van de klanken van 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -te (surfte, surften) en het voltooid deelwoord eindigt op -t (gesurft).
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij surft, maar surf jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van surfen?

surfte (ik, jij, hij/zij/het) en surften (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van surfen?

gesurft, met hebben: ik heb gesurft.

Gebruik je surfen met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb gesurft, hij heeft gesurft.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.