Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau B1 · Regelmatig

Vervoeging van Trainen

trainen = to train

Hele werkwoord
trainen
Verleden tijd
trainde · trainden
Voltooide tijd
heeft getraind

Kort antwoord

Trainen is in het Engels to train. Verleden tijd: trainde (enkelvoud) en trainden (meervoud). Voltooid deelwoord: getraind, met hebben: ik heb getraind.

Oefen trainen

Tegenwoordige tijd

iktrain
jijtraint
hij/zij/hettraint
wijtrainen
jullietrainen
zijtrainen

Verleden tijd

iktrainde
jijtrainde
hij/zij/hettrainde
wijtrainden
jullietrainden
zijtrainden

Voltooide tijd

ikheb getraind
jijhebt getraind
hij/zij/hetheeft getraind
wijhebben getraind
julliehebben getraind
zijhebben getraind

Voltooid verleden tijd

ikhad getraind
jijhad getraind
hij/zij/hethad getraind
wijhadden getraind
julliehadden getraind
zijhadden getraind

Toekomende tijd

ikzal trainen
jijzult trainen
hij/zij/hetzal trainen
wijzullen trainen
julliezullen trainen
zijzullen trainen

Voorwaardelijke wijs

ikzou trainen
jijzou trainen
hij/zij/hetzou trainen
wijzouden trainen
julliezouden trainen
zijzouden trainen

Oefen trainen

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

trainen in een zin

Vul de juiste vorm in. De zin laat zien wie het doet en wanneer.

  1. Tegenwoordige tijd

    Jullie drie keer per week in de sporthal.

  2. Verleden tijd

    Mijn vader vroeger het voetbalteam van ons dorp.

  3. Tegenwoordige tijd

    Ik elke dag mijn hond om mooi bij me te lopen.

Zo werkt dit werkwoord

  • Regelmatig werkwoord. De stam is train. In trainen staat n voor -en, en die zit niet in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -de (trainde, trainden) en het voltooid deelwoord eindigt op -d (getraind).
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij traint, maar train jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van trainen?

trainde (ik, jij, hij/zij/het) en trainden (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van trainen?

getraind, met hebben: ik heb getraind.

Gebruik je trainen met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb getraind, hij heeft getraind.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.