Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login
← Back to all posts
DEEP
by Rick

Hebben or zijn in the Dutch past tense: the rule that decides

TL;DR

Most verbs: hebben (ik heb gewerkt). Many verbs of moving somewhere or changing state: zijn (ik ben gegaan, ik ben verhuisd, ik ben begonnen). Some you simply learn with zijn: zijn, blijven, gebeuren, lukken. Fietsen, lopen, zwemmen: hebben for the activity, zijn when you move somewhere.

In the Dutch perfect tense (ik heb gewerkt, ik ben gegaan) you need a helper verb: hebben or zijn. Most verbs take hebben. A smaller group takes zijn, and once you see the logic you will get most of them right.

Hebben or zijn?: The Dutch perfect tense rule. ik heb gewerkt, ik ben gegaan
Hebben or zijn? the dutch perfect tense rule.

Hebben: most verbs

Ik heb gewerkt. Wij hebben gegeten. Ze heeft goed geslapen. Hebben jullie de film gezien?

Zijn: moving somewhere or changing state

Many verbs that describe a change of place or state take zijn, usually when there is no direct object. It is a guideline with exceptions: beginnen takes zijn even with an object (Ik ben een cursus begonnen). Some verbs simply need to be learnt with zijn, including zijn, blijven, gebeuren, blijken, lukken and mislukken.

VerbPerfectMeaning
gaanik ben gegaanI went
komenik ben gekomenI came
vertrekkenik ben vertrokkenI left
verhuizenik ben verhuisdI moved house
wordenik ben gewordenI became
beginnenik ben begonnenI started
vallenik ben gevallenI fell
gebeurenhet is gebeurdit happened
trouwenwij zijn getrouwdwe got married
zijnik ben geweestI have been
blijvenik ben geblevenI stayed

Movement verbs: activity or going somewhere?

Verbs like lopen, fietsen, rijden, zwemmen and vliegen take hebben when the activity itself is the point, and zijn when you move somewhere: to a destination, in a direction or along a route.

  • Ik heb een uur gefietst. (I cycled for an hour.)
  • Ik ben naar Utrecht gefietst. (I cycled to Utrecht.)
  • We hebben in zee gezwommen. (We swam in the sea.)
  • We zijn naar de overkant gezwommen. (We swam to the other side.)

Two exam words you will want to use

Ik ben geslaagd! means I passed. Ik ben gezakt means I failed. Both take zijn, and hopefully you only need the first one.

Quick test

1. Ik ... naar Nederland verhuisd. 2. Wij ... pizza gegeten. 3. Ze ... voor haar examen geslaagd. 4. Ik ... gisteren thuis gebleven. 5. Hij ... de hele dag gewerkt. 6. Wat ... er gebeurd?

Answers: 1 ben, 2 hebben, 3 is, 4 ben, 5 heeft, 6 is.

Want the perfect tense to become automatic? Drill the verbs in our free Dutch verb game, and if you are working towards the inburgering or NT2 exam, see NT2 exam preparation online.

Woordenschat

Tap each card to reveal the English meaning

Tap to revealslagen
to pass (an exam)

“Ik ben geslaagd!”

I passed!

Tap to revealverhuizen
to move house

“Wij zijn vorig jaar verhuisd.”

We moved last year.

Tap to revealgebeuren
to happen

“Wat is er gebeurd?”

What happened?

Frequently Asked Questions

When do you use zijn in the Dutch perfect tense?

For many verbs of moving somewhere or changing state, usually without a direct object (ik ben gegaan, ik ben verhuisd), and for some you simply learn: zijn, blijven, gebeuren, lukken.

Is it ik heb gefietst or ik ben gefietst?

Both: ik heb een uur gefietst (the activity), ik ben naar huis gefietst (moving somewhere).

How do you say I passed my exam in Dutch?

Ik ben geslaagd voor mijn examen. Failing is: ik ben gezakt.

Do most Dutch verbs take hebben or zijn?

Most take hebben. Zijn is a smaller group of movement and change verbs.

Stap voor stap.

Every post is a small step. The apps make the next step easier.