Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A2 · Irregular

Bijten conjugation

bijten = to bite

Infinitive
bijten
Past
beet · beten
Perfect
heeft gebeten

Quick answer

Bijten means to bite. Past tense: beet (singular) and beten (plural). Past participle: gebeten, with hebben: ik heb gebeten.

Practise bijten

Present (tegenwoordige tijd)

ikbijt
jijbijt
hij/zij/hetbijt
wijbijten
julliebijten
zijbijten

Past (verleden tijd)

ikbeet
jijbeet
hij/zij/hetbeet
wijbeten
julliebeten
zijbeten

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gebeten
jijhebt gebeten
hij/zij/hetheeft gebeten
wijhebben gebeten
julliehebben gebeten
zijhebben gebeten

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gebeten
jijhad gebeten
hij/zij/hethad gebeten
wijhadden gebeten
julliehadden gebeten
zijhadden gebeten

Future (toekomende tijd)

ikzal bijten
jijzult bijten
hij/zij/hetzal bijten
wijzullen bijten
julliezullen bijten
zijzullen bijten

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou bijten
jijzou bijten
hij/zij/hetzou bijten
wijzouden bijten
julliezouden bijten
zijzouden bijten

Practise bijten

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Irregular verb: the past tense and participle do not follow the regular -te/-de pattern, so learn the three forms together: bijten, beet, gebeten.

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of bijten?

beet (ik, jij, hij/zij/het) and beten (wij, jullie, zij).

What is the past participle of bijten?

gebeten, with hebben: ik heb gebeten.

Is bijten used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gebeten, hij heeft gebeten.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.