Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B2 · Regular

Dempen conjugation

dempen = to dampen

Infinitive
dempen
Past
dempte · dempten
Perfect
heeft gedempt

Quick answer

Dempen means to dampen. Past tense: dempte (singular) and dempten (plural). Past participle: gedempt, with hebben: ik heb gedempt.

Practise dempen

Present (tegenwoordige tijd)

ikdemp
jijdempt
hij/zij/hetdempt
wijdempen
julliedempen
zijdempen

Past (verleden tijd)

ikdempte
jijdempte
hij/zij/hetdempte
wijdempten
julliedempten
zijdempten

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gedempt
jijhebt gedempt
hij/zij/hetheeft gedempt
wijhebben gedempt
julliehebben gedempt
zijhebben gedempt

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gedempt
jijhad gedempt
hij/zij/hethad gedempt
wijhadden gedempt
julliehadden gedempt
zijhadden gedempt

Future (toekomende tijd)

ikzal dempen
jijzult dempen
hij/zij/hetzal dempen
wijzullen dempen
julliezullen dempen
zijzullen dempen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou dempen
jijzou dempen
hij/zij/hetzou dempen
wijzouden dempen
julliezouden dempen
zijzouden dempen

Practise dempen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is demp. The infinitive dempen has p before -en, one of the sounds in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -te (dempte, dempten) and the participle ends in -t (gedempt).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij dempt, but demp jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of dempen?

dempte (ik, jij, hij/zij/het) and dempten (wij, jullie, zij).

What is the past participle of dempen?

gedempt, with hebben: ik heb gedempt.

Is dempen used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gedempt, hij heeft gedempt.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.