Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B2 · Regular

Veren conjugation

veren = to bounce

Infinitive
veren
Past
veerde · veerden
Perfect
heeft geveerd

Quick answer

Veren means to bounce. Past tense: veerde (singular) and veerden (plural). Past participle: geveerd, with hebben: ik heb geveerd.

Practise veren

Present (tegenwoordige tijd)

ikveer
jijveert
hij/zij/hetveert
wijveren
jullieveren
zijveren

Past (verleden tijd)

ikveerde
jijveerde
hij/zij/hetveerde
wijveerden
jullieveerden
zijveerden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb geveerd
jijhebt geveerd
hij/zij/hetheeft geveerd
wijhebben geveerd
julliehebben geveerd
zijhebben geveerd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad geveerd
jijhad geveerd
hij/zij/hethad geveerd
wijhadden geveerd
julliehadden geveerd
zijhadden geveerd

Future (toekomende tijd)

ikzal veren
jijzult veren
hij/zij/hetzal veren
wijzullen veren
julliezullen veren
zijzullen veren

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou veren
jijzou veren
hij/zij/hetzou veren
wijzouden veren
julliezouden veren
zijzouden veren

Practise veren

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is veer. The infinitive veren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (veerde, veerden) and the participle ends in -d (geveerd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij veert, but veer jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of veren?

veerde (ik, jij, hij/zij/het) and veerden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of veren?

geveerd, with hebben: ik heb geveerd.

Is veren used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb geveerd, hij heeft geveerd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.