Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B1 · Regular

Conjugación de Branden

branden = arder

Infinitivo
branden
Pasado
brandde · brandden
Perfecto
heeft gebrand

Respuesta rápida

Branden significa arder. Pasado: brandde (singular) y brandden (plural). Participio: gebrand, con hebben: ik heb gebrand.

Practica branden

Presente (tegenwoordige tijd)

ikbrand
jijbrandt
hij/zij/hetbrandt
wijbranden
julliebranden
zijbranden

Pasado (verleden tijd)

ikbrandde
jijbrandde
hij/zij/hetbrandde
wijbrandden
julliebrandden
zijbrandden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gebrand
jijhebt gebrand
hij/zij/hetheeft gebrand
wijhebben gebrand
julliehebben gebrand
zijhebben gebrand

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gebrand
jijhad gebrand
hij/zij/hethad gebrand
wijhadden gebrand
julliehadden gebrand
zijhadden gebrand

Futuro (toekomende tijd)

ikzal branden
jijzult branden
hij/zij/hetzal branden
wijzullen branden
julliezullen branden
zijzullen branden

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou branden
jijzou branden
hij/zij/hetzou branden
wijzouden branden
julliezouden branden
zijzouden branden

Practica branden

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

branden en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    In de woonkamer een kaarsje.

  2. Pasado

    Het licht in de keuken de hele nacht.

  3. Pretérito perfecto

    De kaarsen de hele avond .

  4. Oración subordinada

    Ik zie dat er licht in jouw huis .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es brand. En el infinitivo branden hay una d antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (brandde, brandden) y el participio termina en -d (gebrand).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij brandt, pero brand jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de branden?

brandde (ik, jij, hij/zij/het) y brandden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de branden?

gebrand, con hebben: ik heb gebrand.

¿El verbo branden va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gebrand, hij heeft gebrand.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.