Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A2 · Regular

Trouwen conjugation

trouwen = to marry

Infinitive
trouwen
Past
trouwde · trouwden
Perfect
is getrouwd

Quick answer

Trouwen means to marry. Past tense: trouwde (singular) and trouwden (plural). Past participle: getrouwd, with zijn: ik ben getrouwd.

Practise trouwen

Present (tegenwoordige tijd)

iktrouw
jijtrouwt
hij/zij/hettrouwt
wijtrouwen
jullietrouwen
zijtrouwen

Past (verleden tijd)

iktrouwde
jijtrouwde
hij/zij/hettrouwde
wijtrouwden
jullietrouwden
zijtrouwden

Perfect (voltooide tijd)

ikben getrouwd
jijbent getrouwd
hij/zij/hetis getrouwd
wijzijn getrouwd
julliezijn getrouwd
zijzijn getrouwd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikwas getrouwd
jijwas getrouwd
hij/zij/hetwas getrouwd
wijwaren getrouwd
julliewaren getrouwd
zijwaren getrouwd

Future (toekomende tijd)

ikzal trouwen
jijzult trouwen
hij/zij/hetzal trouwen
wijzullen trouwen
julliezullen trouwen
zijzullen trouwen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou trouwen
jijzou trouwen
hij/zij/hetzou trouwen
wijzouden trouwen
julliezouden trouwen
zijzouden trouwen

Practise trouwen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is trouw. The infinitive trouwen has w before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (trouwde, trouwden) and the participle ends in -d (getrouwd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij trouwt, but trouw jij?
  • Perfect tense with zijn: ik ben getrouwd, not ik heb getrouwd.

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of trouwen?

trouwde (ik, jij, hij/zij/het) and trouwden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of trouwen?

getrouwd, with zijn: ik ben getrouwd.

Is trouwen used with hebben or zijn?

With zijn: ik ben getrouwd, hij is getrouwd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.