Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B1 · Regular

Conjugación de Dalen

dalen = descender, disminuir

Infinitivo
dalen
Pasado
daalde · daalden
Perfecto
is gedaald

Respuesta rápida

Dalen significa descender, disminuir. Pasado: daalde (singular) y daalden (plural). Participio: gedaald, con zijn: ik ben gedaald.

Practica dalen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikdaal
jijdaalt
hij/zij/hetdaalt
wijdalen
julliedalen
zijdalen

Pasado (verleden tijd)

ikdaalde
jijdaalde
hij/zij/hetdaalde
wijdaalden
julliedaalden
zijdaalden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikben gedaald
jijbent gedaald
hij/zij/hetis gedaald
wijzijn gedaald
julliezijn gedaald
zijzijn gedaald

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikwas gedaald
jijwas gedaald
hij/zij/hetwas gedaald
wijwaren gedaald
julliewaren gedaald
zijwaren gedaald

Futuro (toekomende tijd)

ikzal dalen
jijzult dalen
hij/zij/hetzal dalen
wijzullen dalen
julliezullen dalen
zijzullen dalen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou dalen
jijzou dalen
hij/zij/hetzou dalen
wijzouden dalen
julliezouden dalen
zijzouden dalen

Practica dalen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

dalen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    In de herfst de temperatuur snel.

  2. Pasado

    Het vliegtuig langzaam naar de grond.

  3. Pretérito perfecto

    De prijzen van groenten deze maand flink .

  4. Oración subordinada

    Wij blijven thuis omdat de temperatuur zo sterk .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es daal. En el infinitivo dalen hay una l antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (daalde, daalden) y el participio termina en -d (gedaald).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij daalt, pero daal jij?
  • Perfecto con zijn: ik ben gedaald, no ik heb gedaald.

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de dalen?

daalde (ik, jij, hij/zij/het) y daalden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de dalen?

gedaald, con zijn: ik ben gedaald.

¿El verbo dalen va con hebben o con zijn?

Con zijn: ik ben gedaald, hij is gedaald.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.