Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Dalen conjugation

dalen = to descend, to decrease

Infinitive
dalen
Past
daalde · daalden
Perfect
is gedaald

Quick answer

Dalen means to descend, to decrease. Past tense: daalde (singular) and daalden (plural). Past participle: gedaald, with zijn: ik ben gedaald.

Practise dalen

Present (tegenwoordige tijd)

ikdaal
jijdaalt
hij/zij/hetdaalt
wijdalen
julliedalen
zijdalen

Past (verleden tijd)

ikdaalde
jijdaalde
hij/zij/hetdaalde
wijdaalden
julliedaalden
zijdaalden

Perfect (voltooide tijd)

ikben gedaald
jijbent gedaald
hij/zij/hetis gedaald
wijzijn gedaald
julliezijn gedaald
zijzijn gedaald

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikwas gedaald
jijwas gedaald
hij/zij/hetwas gedaald
wijwaren gedaald
julliewaren gedaald
zijwaren gedaald

Future (toekomende tijd)

ikzal dalen
jijzult dalen
hij/zij/hetzal dalen
wijzullen dalen
julliezullen dalen
zijzullen dalen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou dalen
jijzou dalen
hij/zij/hetzou dalen
wijzouden dalen
julliezouden dalen
zijzouden dalen

Practise dalen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is daal. The infinitive dalen has l before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (daalde, daalden) and the participle ends in -d (gedaald).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij daalt, but daal jij?
  • Perfect tense with zijn: ik ben gedaald, not ik heb gedaald.

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of dalen?

daalde (ik, jij, hij/zij/het) and daalden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of dalen?

gedaald, with zijn: ik ben gedaald.

Is dalen used with hebben or zijn?

With zijn: ik ben gedaald, hij is gedaald.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.