Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A1 · Regular

Conjugación de Fietsen

fietsen = ir en bici

Infinitivo
fietsen
Pasado
fietste · fietsten
Perfecto
heeft / is gefietst

Respuesta rápida

Fietsen significa ir en bici. Pasado: fietste (singular) y fietsten (plural). Participio: gefietst, con hebben / zijn: ik heb / ben gefietst.

Practica fietsen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikfiets
jijfietst
hij/zij/hetfietst
wijfietsen
julliefietsen
zijfietsen

Pasado (verleden tijd)

ikfietste
jijfietste
hij/zij/hetfietste
wijfietsten
julliefietsten
zijfietsten

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb / ben gefietst
jijhebt / bent gefietst
hij/zij/hetheeft / is gefietst
wijhebben / zijn gefietst
julliehebben / zijn gefietst
zijhebben / zijn gefietst

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad / was gefietst
jijhad / was gefietst
hij/zij/hethad / was gefietst
wijhadden / waren gefietst
julliehadden / waren gefietst
zijhadden / waren gefietst

Futuro (toekomende tijd)

ikzal fietsen
jijzult fietsen
hij/zij/hetzal fietsen
wijzullen fietsen
julliezullen fietsen
zijzullen fietsen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou fietsen
jijzou fietsen
hij/zij/hetzou fietsen
wijzouden fietsen
julliezouden fietsen
zijzouden fietsen

Practica fietsen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es fiets. En el infinitivo fietsen hay una s antes de -en, uno de los sonidos de 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -te (fietste, fietsten) y el participio termina en -t (gefietst).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij fietst, pero fiets jij?
  • Hebben o zijn: hebben para la actividad en sí, zijn cuando dices adónde o qué cambió. Ik heb vandaag gefietst. Ik ben naar mijn werk gefietst.

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de fietsen?

fietste (ik, jij, hij/zij/het) y fietsten (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de fietsen?

gefietst, con hebben o zijn según el significado: Ik heb vandaag gefietst. Ik ben naar mijn werk gefietst.

¿El verbo fietsen va con hebben o con zijn?

Con los dos, según el significado: Ik heb vandaag gefietst. Ik ben naar mijn werk gefietst.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.