Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B1 · Regular

Conjugación de Haken

haken = hacer ganchillo

Infinitivo
haken
Pasado
haakte · haakten
Perfecto
heeft gehaakt

Respuesta rápida

Haken significa hacer ganchillo. Pasado: haakte (singular) y haakten (plural). Participio: gehaakt, con hebben: ik heb gehaakt.

Practica haken

Presente (tegenwoordige tijd)

ikhaak
jijhaakt
hij/zij/hethaakt
wijhaken
julliehaken
zijhaken

Pasado (verleden tijd)

ikhaakte
jijhaakte
hij/zij/hethaakte
wijhaakten
julliehaakten
zijhaakten

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gehaakt
jijhebt gehaakt
hij/zij/hetheeft gehaakt
wijhebben gehaakt
julliehebben gehaakt
zijhebben gehaakt

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gehaakt
jijhad gehaakt
hij/zij/hethad gehaakt
wijhadden gehaakt
julliehadden gehaakt
zijhadden gehaakt

Futuro (toekomende tijd)

ikzal haken
jijzult haken
hij/zij/hetzal haken
wijzullen haken
julliezullen haken
zijzullen haken

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou haken
jijzou haken
hij/zij/hetzou haken
wijzouden haken
julliezouden haken
zijzouden haken

Practica haken

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

haken en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Mijn oma elke avond een warme sjaal.

  2. Pasado

    Vorige winter ik een mooie deken.

  3. Pretérito perfecto

    Zij een muts voor de baby .

  4. Oración subordinada

    Ik luister graag naar de radio, terwijl ik .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es haak. En el infinitivo haken hay una k antes de -en, uno de los sonidos de 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -te (haakte, haakten) y el participio termina en -t (gehaakt).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij haakt, pero haak jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de haken?

haakte (ik, jij, hij/zij/het) y haakten (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de haken?

gehaakt, con hebben: ik heb gehaakt.

¿El verbo haken va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gehaakt, hij heeft gehaakt.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.