Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Haken conjugation

haken = to crochet

Infinitive
haken
Past
haakte · haakten
Perfect
heeft gehaakt

Quick answer

Haken means to crochet. Past tense: haakte (singular) and haakten (plural). Past participle: gehaakt, with hebben: ik heb gehaakt.

Practise haken

Present (tegenwoordige tijd)

ikhaak
jijhaakt
hij/zij/hethaakt
wijhaken
julliehaken
zijhaken

Past (verleden tijd)

ikhaakte
jijhaakte
hij/zij/hethaakte
wijhaakten
julliehaakten
zijhaakten

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gehaakt
jijhebt gehaakt
hij/zij/hetheeft gehaakt
wijhebben gehaakt
julliehebben gehaakt
zijhebben gehaakt

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gehaakt
jijhad gehaakt
hij/zij/hethad gehaakt
wijhadden gehaakt
julliehadden gehaakt
zijhadden gehaakt

Future (toekomende tijd)

ikzal haken
jijzult haken
hij/zij/hetzal haken
wijzullen haken
julliezullen haken
zijzullen haken

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou haken
jijzou haken
hij/zij/hetzou haken
wijzouden haken
julliezouden haken
zijzouden haken

Practise haken

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is haak. The infinitive haken has k before -en, one of the sounds in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -te (haakte, haakten) and the participle ends in -t (gehaakt).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij haakt, but haak jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of haken?

haakte (ik, jij, hij/zij/het) and haakten (wij, jullie, zij).

What is the past participle of haken?

gehaakt, with hebben: ik heb gehaakt.

Is haken used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gehaakt, hij heeft gehaakt.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.