Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B2 · Regular

Conjugación de Klemmen

klemmen = sujetar, atascar

Infinitivo
klemmen
Pasado
klemde · klemden
Perfecto
heeft geklemd

Respuesta rápida

Klemmen significa sujetar, atascar. Pasado: klemde (singular) y klemden (plural). Participio: geklemd, con hebben: ik heb geklemd.

Practica klemmen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikklem
jijklemt
hij/zij/hetklemt
wijklemmen
jullieklemmen
zijklemmen

Pasado (verleden tijd)

ikklemde
jijklemde
hij/zij/hetklemde
wijklemden
jullieklemden
zijklemden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb geklemd
jijhebt geklemd
hij/zij/hetheeft geklemd
wijhebben geklemd
julliehebben geklemd
zijhebben geklemd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad geklemd
jijhad geklemd
hij/zij/hethad geklemd
wijhadden geklemd
julliehadden geklemd
zijhadden geklemd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal klemmen
jijzult klemmen
hij/zij/hetzal klemmen
wijzullen klemmen
julliezullen klemmen
zijzullen klemmen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou klemmen
jijzou klemmen
hij/zij/hetzou klemmen
wijzouden klemmen
julliezouden klemmen
zijzouden klemmen

Practica klemmen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

klemmen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    De deur altijd als het regent.

  2. Pasado

    Het raam gisteren en ik kreeg het niet open.

  3. Pretérito perfecto

    Hij de plank stevig tussen twee stoelen .

  4. Oración subordinada

    Ik kon niet naar binnen, omdat het slot .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es klem. En el infinitivo klemmen hay una m antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (klemde, klemden) y el participio termina en -d (geklemd).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij klemt, pero klem jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de klemmen?

klemde (ik, jij, hij/zij/het) y klemden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de klemmen?

geklemd, con hebben: ik heb geklemd.

¿El verbo klemmen va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb geklemd, hij heeft geklemd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.