Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Experimenteren conjugation

experimenteren = to experiment

Infinitive
experimenteren
Past
experimenteerde · experimenteerden
Perfect
heeft geëxperimenteerd

Quick answer

Experimenteren means to experiment. Past tense: experimenteerde (singular) and experimenteerden (plural). Past participle: geëxperimenteerd, with hebben: ik heb geëxperimenteerd.

Practise experimenteren

Present (tegenwoordige tijd)

ikexperimenteer
jijexperimenteert
hij/zij/hetexperimenteert
wijexperimenteren
jullieexperimenteren
zijexperimenteren

Past (verleden tijd)

ikexperimenteerde
jijexperimenteerde
hij/zij/hetexperimenteerde
wijexperimenteerden
jullieexperimenteerden
zijexperimenteerden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb geëxperimenteerd
jijhebt geëxperimenteerd
hij/zij/hetheeft geëxperimenteerd
wijhebben geëxperimenteerd
julliehebben geëxperimenteerd
zijhebben geëxperimenteerd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad geëxperimenteerd
jijhad geëxperimenteerd
hij/zij/hethad geëxperimenteerd
wijhadden geëxperimenteerd
julliehadden geëxperimenteerd
zijhadden geëxperimenteerd

Future (toekomende tijd)

ikzal experimenteren
jijzult experimenteren
hij/zij/hetzal experimenteren
wijzullen experimenteren
julliezullen experimenteren
zijzullen experimenteren

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou experimenteren
jijzou experimenteren
hij/zij/hetzou experimenteren
wijzouden experimenteren
julliezouden experimenteren
zijzouden experimenteren

Practise experimenteren

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is experimenteer. The infinitive experimenteren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (experimenteerde, experimenteerden) and the participle ends in -d (geëxperimenteerd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij experimenteert, but experimenteer jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of experimenteren?

experimenteerde (ik, jij, hij/zij/het) and experimenteerden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of experimenteren?

geëxperimenteerd, with hebben: ik heb geëxperimenteerd.

Is experimenteren used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb geëxperimenteerd, hij heeft geëxperimenteerd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.