Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B2 · Regular, separable

Conjugación de Overstromen

overstromen = desbordarse

Infinitivo
overstromen
Pasado
stroomde over · stroomden over
Perfecto
is overgestroomd

Respuesta rápida

Overstromen significa desbordarse. Pasado: stroomde over (singular) y stroomden over (plural). Participio: overgestroomd, con zijn: ik ben overgestroomd.

Practica overstromen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikstroom over
jijstroomt over
hij/zij/hetstroomt over
wijstromen over
julliestromen over
zijstromen over

Pasado (verleden tijd)

ikstroomde over
jijstroomde over
hij/zij/hetstroomde over
wijstroomden over
julliestroomden over
zijstroomden over

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikben overgestroomd
jijbent overgestroomd
hij/zij/hetis overgestroomd
wijzijn overgestroomd
julliezijn overgestroomd
zijzijn overgestroomd

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikwas overgestroomd
jijwas overgestroomd
hij/zij/hetwas overgestroomd
wijwaren overgestroomd
julliewaren overgestroomd
zijwaren overgestroomd

Futuro (toekomende tijd)

ikzal overstromen
jijzult overstromen
hij/zij/hetzal overstromen
wijzullen overstromen
julliezullen overstromen
zijzullen overstromen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou overstromen
jijzou overstromen
hij/zij/hetzou overstromen
wijzouden overstromen
julliezouden overstromen
zijzouden overstromen

Overstromen es un verbo separable

En una oración principal over va al final (ik stroom over). En una subordinada las dos partes permanecen juntas (dat ik overstroom). Participio: overgestroomd.

Acento: óverstromen

Oración principalik stroom over
Preguntastroom jij over?
Oración subordinada… dat ik overstroom
Con un verbo modalik wil overstromen
Pretérito perfectoik ben overgestroomd
Con om ... teom over te stromen
Imperativostroom over!

Verbos separables: reglas y comprobador

Overstromen tiene un segundo significado

overstrómen, no separable, significa inundar: overstroomt, overstroomde, overstroomd.

Presenteik overstroom · hij overstroomt
Pasadoik overstroomde · hij overstroomde
Pretérito perfectoik heb / ben overstroomd · hij heeft / is overstroomd

Practica overstromen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

overstromen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    De rivier elk voorjaar bijna .

  2. Pasado

    Na de storm de gracht snel .

  3. Pasado

    Door de regen de sloten in het dorp .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es stroom. En el infinitivo stromen hay una m antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (stroomde, stroomden) y el participio termina en -d (overgestroomd).
  • Verbo separable. En una oración principal el prefijo over va al final: ik stroom over. En una subordinada se queda unido: ... dat ik overstroom, ... dat ik overstroomde.
  • En el participio, ge va entre las dos partes: overgestroomd.
  • Perfecto con zijn: ik ben overgestroomd, no ik heb overgestroomd.

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de overstromen?

stroomde over (ik, jij, hij/zij/het) y stroomden over (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de overstromen?

overgestroomd, con zijn: ik ben overgestroomd.

¿El verbo overstromen va con hebben o con zijn?

Con zijn: ik ben overgestroomd, hij is overgestroomd.

¿Es overstromen un verbo separable?

Existen ambos, y el acento decide a qué verbo te refieres. óverstromen, separable, significa desbordarse: stroomt over, stroomde over, overgestroomd. overstrómen, no separable, significa inundar: overstroomt, overstroomde, overstroomd.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.