Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel B1 · Regular

Conjugación de Wisselen

wisselen = intercambiar, cambiar

Infinitivo
wisselen
Pasado
wisselde · wisselden
Perfecto
heeft gewisseld

Respuesta rápida

Wisselen significa intercambiar, cambiar. Pasado: wisselde (singular) y wisselden (plural). Participio: gewisseld, con hebben: ik heb gewisseld.

Practica wisselen

Presente (tegenwoordige tijd)

ikwissel
jijwisselt
hij/zij/hetwisselt
wijwisselen
julliewisselen
zijwisselen

Pasado (verleden tijd)

ikwisselde
jijwisselde
hij/zij/hetwisselde
wijwisselden
julliewisselden
zijwisselden

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gewisseld
jijhebt gewisseld
hij/zij/hetheeft gewisseld
wijhebben gewisseld
julliehebben gewisseld
zijhebben gewisseld

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gewisseld
jijhad gewisseld
hij/zij/hethad gewisseld
wijhadden gewisseld
julliehadden gewisseld
zijhadden gewisseld

Futuro (toekomende tijd)

ikzal wisselen
jijzult wisselen
hij/zij/hetzal wisselen
wijzullen wisselen
julliezullen wisselen
zijzullen wisselen

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou wisselen
jijzou wisselen
hij/zij/hetzou wisselen
wijzouden wisselen
julliezouden wisselen
zijzouden wisselen

Practica wisselen

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

wisselen en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    Wij elke week van plaats in de klas.

  2. Pasado

    Hij gisteren zijn euro's voor dollars bij de bank.

  3. Pretérito perfecto

    Ik eergisteren een paar woorden met de buurman .

  4. Oración subordinada

    Het kind lacht als de kleuren van het licht .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es wissel. En el infinitivo wisselen hay una l antes de -en, que no está en 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -de (wisselde, wisselden) y el participio termina en -d (gewisseld).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij wisselt, pero wissel jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de wisselen?

wisselde (ik, jij, hij/zij/het) y wisselden (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de wisselen?

gewisseld, con hebben: ik heb gewisseld.

¿El verbo wisselen va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gewisseld, hij heeft gewisseld.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.