Niveau B1 · Regelmatig
Vervoeging van Aarzelen
aarzelen = to hesitate
- Hele werkwoord
- aarzelen
- Verleden tijd
- aarzelde · aarzelden
- Voltooide tijd
- heeft geaarzeld
Kort antwoord
Aarzelen is in het Engels to hesitate. Verleden tijd: aarzelde (enkelvoud) en aarzelden (meervoud). Voltooid deelwoord: geaarzeld, met hebben: ik heb geaarzeld.
Oefen aarzelenTegenwoordige tijd
| ik | aarzel |
| jij | aarzelt |
| hij/zij/het | aarzelt |
| wij | aarzelen |
| jullie | aarzelen |
| zij | aarzelen |
Verleden tijd
| ik | aarzelde |
| jij | aarzelde |
| hij/zij/het | aarzelde |
| wij | aarzelden |
| jullie | aarzelden |
| zij | aarzelden |
Voltooide tijd
| ik | heb geaarzeld |
| jij | hebt geaarzeld |
| hij/zij/het | heeft geaarzeld |
| wij | hebben geaarzeld |
| jullie | hebben geaarzeld |
| zij | hebben geaarzeld |
Voltooid verleden tijd
| ik | had geaarzeld |
| jij | had geaarzeld |
| hij/zij/het | had geaarzeld |
| wij | hadden geaarzeld |
| jullie | hadden geaarzeld |
| zij | hadden geaarzeld |
Toekomende tijd
| ik | zal aarzelen |
| jij | zult aarzelen |
| hij/zij/het | zal aarzelen |
| wij | zullen aarzelen |
| jullie | zullen aarzelen |
| zij | zullen aarzelen |
Voorwaardelijke wijs
| ik | zou aarzelen |
| jij | zou aarzelen |
| hij/zij/het | zou aarzelen |
| wij | zouden aarzelen |
| jullie | zouden aarzelen |
| zij | zouden aarzelen |
Oefen aarzelen
Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.
Tegenwoordige tijd
aarzelen in een zin
Vul de juiste vorm in. De zin laat zien wie het doet en wanneer.
Zo werkt dit werkwoord
- Regelmatig werkwoord. De stam is aarzel. In aarzelen staat l voor -en, en die zit niet in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -de (aarzelde, aarzelden) en het voltooid deelwoord eindigt op -d (geaarzeld).
- Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij aarzelt, maar aarzel jij?
Vragen over werkwoorden
Wat is de verleden tijd van aarzelen?
aarzelde (ik, jij, hij/zij/het) en aarzelden (wij, jullie, zij).
Wat is het voltooid deelwoord van aarzelen?
geaarzeld, met hebben: ik heb geaarzeld.
Gebruik je aarzelen met hebben of zijn?
Met hebben: ik heb geaarzeld, hij heeft geaarzeld.
Meer werkwoorden
Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker
Wil je niet meer alles opzoeken?
De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.
Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.