Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau A2 · Regelmatig

Vervoeging van Ruilen

ruilen = to exchange

Hele werkwoord
ruilen
Verleden tijd
ruilde · ruilden
Voltooide tijd
heeft geruild

Kort antwoord

Ruilen is in het Engels to exchange. Verleden tijd: ruilde (enkelvoud) en ruilden (meervoud). Voltooid deelwoord: geruild, met hebben: ik heb geruild.

Oefen ruilen

Tegenwoordige tijd

ikruil
jijruilt
hij/zij/hetruilt
wijruilen
jullieruilen
zijruilen

Verleden tijd

ikruilde
jijruilde
hij/zij/hetruilde
wijruilden
jullieruilden
zijruilden

Voltooide tijd

ikheb geruild
jijhebt geruild
hij/zij/hetheeft geruild
wijhebben geruild
julliehebben geruild
zijhebben geruild

Voltooid verleden tijd

ikhad geruild
jijhad geruild
hij/zij/hethad geruild
wijhadden geruild
julliehadden geruild
zijhadden geruild

Toekomende tijd

ikzal ruilen
jijzult ruilen
hij/zij/hetzal ruilen
wijzullen ruilen
julliezullen ruilen
zijzullen ruilen

Voorwaardelijke wijs

ikzou ruilen
jijzou ruilen
hij/zij/hetzou ruilen
wijzouden ruilen
julliezouden ruilen
zijzouden ruilen

Oefen ruilen

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

ruilen in een zin

Vul de juiste vorm in. De zin laat zien wie het doet en wanneer.

  1. Tegenwoordige tijd

    Ik mijn oude fiets voor een nieuwe.

  2. Verleden tijd

    Jij gisteren je boterham met mijn appel.

  3. Voltooide tijd

    Hij zijn jas met een vriend .

  4. Bijzin

    Ik ben blij dat jullie van plek .

Zo werkt dit werkwoord

  • Regelmatig werkwoord. De stam is ruil. In ruilen staat l voor -en, en die zit niet in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -de (ruilde, ruilden) en het voltooid deelwoord eindigt op -d (geruild).
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij ruilt, maar ruil jij?

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van ruilen?

ruilde (ik, jij, hij/zij/het) en ruilden (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van ruilen?

geruild, met hebben: ik heb geruild.

Gebruik je ruilen met hebben of zijn?

Met hebben: ik heb geruild, hij heeft geruild.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.