Niveau A2 · Regelmatig
Vervoeging van Schaatsen
schaatsen = to skate
- Hele werkwoord
- schaatsen
- Verleden tijd
- schaatste · schaatsten
- Voltooide tijd
- heeft / is geschaatst
Kort antwoord
Schaatsen is in het Engels to skate. Verleden tijd: schaatste (enkelvoud) en schaatsten (meervoud). Voltooid deelwoord: geschaatst, met hebben / zijn: ik heb / ben geschaatst.
Oefen schaatsenTegenwoordige tijd
| ik | schaats |
| jij | schaatst |
| hij/zij/het | schaatst |
| wij | schaatsen |
| jullie | schaatsen |
| zij | schaatsen |
Verleden tijd
| ik | schaatste |
| jij | schaatste |
| hij/zij/het | schaatste |
| wij | schaatsten |
| jullie | schaatsten |
| zij | schaatsten |
Voltooide tijd
| ik | heb / ben geschaatst |
| jij | hebt / bent geschaatst |
| hij/zij/het | heeft / is geschaatst |
| wij | hebben / zijn geschaatst |
| jullie | hebben / zijn geschaatst |
| zij | hebben / zijn geschaatst |
Voltooid verleden tijd
| ik | had / was geschaatst |
| jij | had / was geschaatst |
| hij/zij/het | had / was geschaatst |
| wij | hadden / waren geschaatst |
| jullie | hadden / waren geschaatst |
| zij | hadden / waren geschaatst |
Toekomende tijd
| ik | zal schaatsen |
| jij | zult schaatsen |
| hij/zij/het | zal schaatsen |
| wij | zullen schaatsen |
| jullie | zullen schaatsen |
| zij | zullen schaatsen |
Voorwaardelijke wijs
| ik | zou schaatsen |
| jij | zou schaatsen |
| hij/zij/het | zou schaatsen |
| wij | zouden schaatsen |
| jullie | zouden schaatsen |
| zij | zouden schaatsen |
Oefen schaatsen
Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.
Tegenwoordige tijd
schaatsen in een zin
Vul de juiste vorm in. De zin laat zien wie het doet en wanneer.
Zo werkt dit werkwoord
- Regelmatig werkwoord. De stam is schaats. In schaatsen staat s voor -en, een van de klanken van 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -te (schaatste, schaatsten) en het voltooid deelwoord eindigt op -t (geschaatst).
- Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij schaatst, maar schaats jij?
- Hebben of zijn: hebben voor de activiteit zelf, zijn als je zegt waarheen of wat er veranderde. We hebben gisteren op de vijver geschaatst. We zijn naar de overkant van het meer geschaatst.
Vragen over werkwoorden
Wat is de verleden tijd van schaatsen?
schaatste (ik, jij, hij/zij/het) en schaatsten (wij, jullie, zij).
Wat is het voltooid deelwoord van schaatsen?
geschaatst, met hebben of zijn, afhankelijk van de betekenis: We hebben gisteren op de vijver geschaatst. We zijn naar de overkant van het meer geschaatst.
Gebruik je schaatsen met hebben of zijn?
Allebei, afhankelijk van de betekenis: We hebben gisteren op de vijver geschaatst. We zijn naar de overkant van het meer geschaatst.
Meer werkwoorden
Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker
Wil je niet meer alles opzoeken?
De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.
Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.