Dutch Fluency
Vind mijn niveauNiveau
Inloggen

Niveau A2 · Regelmatig

Vervoeging van Schaatsen

schaatsen = to skate

Hele werkwoord
schaatsen
Verleden tijd
schaatste · schaatsten
Voltooide tijd
heeft / is geschaatst

Kort antwoord

Schaatsen is in het Engels to skate. Verleden tijd: schaatste (enkelvoud) en schaatsten (meervoud). Voltooid deelwoord: geschaatst, met hebben / zijn: ik heb / ben geschaatst.

Oefen schaatsen

Tegenwoordige tijd

ikschaats
jijschaatst
hij/zij/hetschaatst
wijschaatsen
jullieschaatsen
zijschaatsen

Verleden tijd

ikschaatste
jijschaatste
hij/zij/hetschaatste
wijschaatsten
jullieschaatsten
zijschaatsten

Voltooide tijd

ikheb / ben geschaatst
jijhebt / bent geschaatst
hij/zij/hetheeft / is geschaatst
wijhebben / zijn geschaatst
julliehebben / zijn geschaatst
zijhebben / zijn geschaatst

Voltooid verleden tijd

ikhad / was geschaatst
jijhad / was geschaatst
hij/zij/hethad / was geschaatst
wijhadden / waren geschaatst
julliehadden / waren geschaatst
zijhadden / waren geschaatst

Toekomende tijd

ikzal schaatsen
jijzult schaatsen
hij/zij/hetzal schaatsen
wijzullen schaatsen
julliezullen schaatsen
zijzullen schaatsen

Voorwaardelijke wijs

ikzou schaatsen
jijzou schaatsen
hij/zij/hetzou schaatsen
wijzouden schaatsen
julliezouden schaatsen
zijzouden schaatsen

Oefen schaatsen

Zes snelle vormen. Typ het antwoord, druk op Enter en zie meteen of het goed is.

1 van 60 ✓

Tegenwoordige tijd

ik

schaatsen in een zin

Vul de juiste vorm in. De zin laat zien wie het doet en wanneer.

  1. Tegenwoordige tijd

    In de winter wij elk weekend op het meer.

  2. Verleden tijd

    Toen ik klein was, ik graag met mijn opa.

  3. Voltooide tijd

    Wij gisteren urenlang op de vijver .

Zo werkt dit werkwoord

  • Regelmatig werkwoord. De stam is schaats. In schaatsen staat s voor -en, een van de klanken van 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dus de verleden tijd krijgt -te (schaatste, schaatsten) en het voltooid deelwoord eindigt op -t (geschaatst).
  • Staat jij achter het werkwoord, dan valt de -t weg: jij schaatst, maar schaats jij?
  • Hebben of zijn: hebben voor de activiteit zelf, zijn als je zegt waarheen of wat er veranderde. We hebben gisteren op de vijver geschaatst. We zijn naar de overkant van het meer geschaatst.

Vragen over werkwoorden

Wat is de verleden tijd van schaatsen?

schaatste (ik, jij, hij/zij/het) en schaatsten (wij, jullie, zij).

Wat is het voltooid deelwoord van schaatsen?

geschaatst, met hebben of zijn, afhankelijk van de betekenis: We hebben gisteren op de vijver geschaatst. We zijn naar de overkant van het meer geschaatst.

Gebruik je schaatsen met hebben of zijn?

Allebei, afhankelijk van de betekenis: We hebben gisteren op de vijver geschaatst. We zijn naar de overkant van het meer geschaatst.

Meer werkwoorden

Alle werkwoordenAlle werkwoorden A tot ZScheidbare werkwoorden: regels en checkerDe of het checker

Wil je niet meer alles opzoeken?

De gratis niveautest laat zien waar je Nederlands nu staat en wat je hierna leert.

Vormen gecontroleerd met Wiktionary. Samengestelde tijden gebruiken de vaste vormen van hebben, zijn, zullen en zou.