Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A1 · Regular

Betalen conjugation

betalen = to pay

Infinitive
betalen
Past
betaalde · betaalden
Perfect
heeft betaald

Quick answer

Betalen means to pay. Past tense: betaalde (singular) and betaalden (plural). Past participle: betaald, with hebben: ik heb betaald.

Practise betalen

Present (tegenwoordige tijd)

ikbetaal
jijbetaalt
hij/zij/hetbetaalt
wijbetalen
julliebetalen
zijbetalen

Past (verleden tijd)

ikbetaalde
jijbetaalde
hij/zij/hetbetaalde
wijbetaalden
julliebetaalden
zijbetaalden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb betaald
jijhebt betaald
hij/zij/hetheeft betaald
wijhebben betaald
julliehebben betaald
zijhebben betaald

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad betaald
jijhad betaald
hij/zij/hethad betaald
wijhadden betaald
julliehadden betaald
zijhadden betaald

Future (toekomende tijd)

ikzal betalen
jijzult betalen
hij/zij/hetzal betalen
wijzullen betalen
julliezullen betalen
zijzullen betalen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou betalen
jijzou betalen
hij/zij/hetzou betalen
wijzouden betalen
julliezouden betalen
zijzouden betalen

Practise betalen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is betaal. The infinitive betalen has l before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (betaalde, betaalden) and the participle ends in -d (betaald).
  • Verbs that start with be-, ge-, her-, ont-, ver- or er- get no extra ge- in the participle: betaald.
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij betaalt, but betaal jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of betalen?

betaalde (ik, jij, hij/zij/het) and betaalden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of betalen?

betaald, with hebben: ik heb betaald.

Is betalen used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb betaald, hij heeft betaald.

More verbs

All verbsDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.