Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B2 · Regular

Escaleren conjugation

escaleren = to escalate

Infinitive
escaleren
Past
escaleerde · escaleerden
Perfect
is geëscaleerd

Quick answer

Escaleren means to escalate. Past tense: escaleerde (singular) and escaleerden (plural). Past participle: geëscaleerd, with zijn: ik ben geëscaleerd.

Practise escaleren

Present (tegenwoordige tijd)

ikescaleer
jijescaleert
hij/zij/hetescaleert
wijescaleren
jullieescaleren
zijescaleren

Past (verleden tijd)

ikescaleerde
jijescaleerde
hij/zij/hetescaleerde
wijescaleerden
jullieescaleerden
zijescaleerden

Perfect (voltooide tijd)

ikben geëscaleerd
jijbent geëscaleerd
hij/zij/hetis geëscaleerd
wijzijn geëscaleerd
julliezijn geëscaleerd
zijzijn geëscaleerd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikwas geëscaleerd
jijwas geëscaleerd
hij/zij/hetwas geëscaleerd
wijwaren geëscaleerd
julliewaren geëscaleerd
zijwaren geëscaleerd

Future (toekomende tijd)

ikzal escaleren
jijzult escaleren
hij/zij/hetzal escaleren
wijzullen escaleren
julliezullen escaleren
zijzullen escaleren

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou escaleren
jijzou escaleren
hij/zij/hetzou escaleren
wijzouden escaleren
julliezouden escaleren
zijzouden escaleren

Practise escaleren

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is escaleer. The infinitive escaleren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (escaleerde, escaleerden) and the participle ends in -d (geëscaleerd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij escaleert, but escaleer jij?
  • Perfect tense with zijn: ik ben geëscaleerd, not ik heb geëscaleerd.

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of escaleren?

escaleerde (ik, jij, hij/zij/het) and escaleerden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of escaleren?

geëscaleerd, with zijn: ik ben geëscaleerd.

Is escaleren used with hebben or zijn?

With zijn: ik ben geëscaleerd, hij is geëscaleerd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.