Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Irregular

Grijpen conjugation

grijpen = to grab

Infinitive
grijpen
Past
greep · grepen
Perfect
heeft gegrepen

Quick answer

Grijpen means to grab. Past tense: greep (singular) and grepen (plural). Past participle: gegrepen, with hebben: ik heb gegrepen.

Practise grijpen

Present (tegenwoordige tijd)

ikgrijp
jijgrijpt
hij/zij/hetgrijpt
wijgrijpen
julliegrijpen
zijgrijpen

Past (verleden tijd)

ikgreep
jijgreep
hij/zij/hetgreep
wijgrepen
julliegrepen
zijgrepen

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gegrepen
jijhebt gegrepen
hij/zij/hetheeft gegrepen
wijhebben gegrepen
julliehebben gegrepen
zijhebben gegrepen

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gegrepen
jijhad gegrepen
hij/zij/hethad gegrepen
wijhadden gegrepen
julliehadden gegrepen
zijhadden gegrepen

Future (toekomende tijd)

ikzal grijpen
jijzult grijpen
hij/zij/hetzal grijpen
wijzullen grijpen
julliezullen grijpen
zijzullen grijpen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou grijpen
jijzou grijpen
hij/zij/hetzou grijpen
wijzouden grijpen
julliezouden grijpen
zijzouden grijpen

Practise grijpen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Irregular verb: the past tense and participle do not follow the regular -te/-de pattern, so learn the three forms together: grijpen, greep, gegrepen.
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij grijpt, but grijp jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of grijpen?

greep (ik, jij, hij/zij/het) and grepen (wij, jullie, zij).

What is the past participle of grijpen?

gegrepen, with hebben: ik heb gegrepen.

Is grijpen used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gegrepen, hij heeft gegrepen.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.