Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Identificeren conjugation

identificeren = to identify

Infinitive
identificeren
Past
identificeerde · identificeerden
Perfect
heeft geïdentificeerd

Quick answer

Identificeren means to identify. Past tense: identificeerde (singular) and identificeerden (plural). Past participle: geïdentificeerd, with hebben: ik heb geïdentificeerd.

Practise identificeren

Present (tegenwoordige tijd)

ikidentificeer
jijidentificeert
hij/zij/hetidentificeert
wijidentificeren
jullieidentificeren
zijidentificeren

Past (verleden tijd)

ikidentificeerde
jijidentificeerde
hij/zij/hetidentificeerde
wijidentificeerden
jullieidentificeerden
zijidentificeerden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb geïdentificeerd
jijhebt geïdentificeerd
hij/zij/hetheeft geïdentificeerd
wijhebben geïdentificeerd
julliehebben geïdentificeerd
zijhebben geïdentificeerd

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad geïdentificeerd
jijhad geïdentificeerd
hij/zij/hethad geïdentificeerd
wijhadden geïdentificeerd
julliehadden geïdentificeerd
zijhadden geïdentificeerd

Future (toekomende tijd)

ikzal identificeren
jijzult identificeren
hij/zij/hetzal identificeren
wijzullen identificeren
julliezullen identificeren
zijzullen identificeren

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou identificeren
jijzou identificeren
hij/zij/hetzou identificeren
wijzouden identificeren
julliezouden identificeren
zijzouden identificeren

Practise identificeren

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is identificeer. The infinitive identificeren has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (identificeerde, identificeerden) and the participle ends in -d (geïdentificeerd).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij identificeert, but identificeer jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of identificeren?

identificeerde (ik, jij, hij/zij/het) and identificeerden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of identificeren?

geïdentificeerd, with hebben: ik heb geïdentificeerd.

Is identificeren used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb geïdentificeerd, hij heeft geïdentificeerd.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.