Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A2 · Regular

Kennen conjugation

kennen = to know (someone)

Infinitive
kennen
Past
kende · kenden
Perfect
heeft gekend

Quick answer

Kennen means to know (someone). Past tense: kende (singular) and kenden (plural). Past participle: gekend, with hebben: ik heb gekend.

Practise kennen

Present (tegenwoordige tijd)

ikken
jijkent
hij/zij/hetkent
wijkennen
julliekennen
zijkennen

Past (verleden tijd)

ikkende
jijkende
hij/zij/hetkende
wijkenden
julliekenden
zijkenden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gekend
jijhebt gekend
hij/zij/hetheeft gekend
wijhebben gekend
julliehebben gekend
zijhebben gekend

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gekend
jijhad gekend
hij/zij/hethad gekend
wijhadden gekend
julliehadden gekend
zijhadden gekend

Future (toekomende tijd)

ikzal kennen
jijzult kennen
hij/zij/hetzal kennen
wijzullen kennen
julliezullen kennen
zijzullen kennen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou kennen
jijzou kennen
hij/zij/hetzou kennen
wijzouden kennen
julliezouden kennen
zijzouden kennen

Practise kennen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is ken. The infinitive kennen has n before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (kende, kenden) and the participle ends in -d (gekend).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij kent, but ken jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of kennen?

kende (ik, jij, hij/zij/het) and kenden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of kennen?

gekend, with hebben: ik heb gekend.

Is kennen used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gekend, hij heeft gekend.

More verbs

All verbsDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.