Level B2 · Regular
Overbruggen conjugation
overbruggen = to bridge
- Infinitive
- overbruggen
- Past
- overbrugde · overbrugden
- Perfect
- heeft overbrugd
Quick answer
Overbruggen means to bridge. Past tense: overbrugde (singular) and overbrugden (plural). Past participle: overbrugd, with hebben: ik heb overbrugd.
Practise overbruggenPresent (tegenwoordige tijd)
| ik | overbrug |
| jij | overbrugt |
| hij/zij/het | overbrugt |
| wij | overbruggen |
| jullie | overbruggen |
| zij | overbruggen |
Past (verleden tijd)
| ik | overbrugde |
| jij | overbrugde |
| hij/zij/het | overbrugde |
| wij | overbrugden |
| jullie | overbrugden |
| zij | overbrugden |
Perfect (voltooide tijd)
| ik | heb overbrugd |
| jij | hebt overbrugd |
| hij/zij/het | heeft overbrugd |
| wij | hebben overbrugd |
| jullie | hebben overbrugd |
| zij | hebben overbrugd |
Past perfect (voltooid verleden tijd)
| ik | had overbrugd |
| jij | had overbrugd |
| hij/zij/het | had overbrugd |
| wij | hadden overbrugd |
| jullie | hadden overbrugd |
| zij | hadden overbrugd |
Future (toekomende tijd)
| ik | zal overbruggen |
| jij | zult overbruggen |
| hij/zij/het | zal overbruggen |
| wij | zullen overbruggen |
| jullie | zullen overbruggen |
| zij | zullen overbruggen |
Conditional (voorwaardelijke wijs)
| ik | zou overbruggen |
| jij | zou overbruggen |
| hij/zij/het | zou overbruggen |
| wij | zouden overbruggen |
| jullie | zouden overbruggen |
| zij | zouden overbruggen |
Practise overbruggen
Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.
1 of 60 ✓
Present
How this verb works
- Regular verb. The stem is overbrug. The infinitive overbruggen has g before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (overbrugde, overbrugden) and the participle ends in -d (overbrugd).
- When jij comes after the verb, the -t drops: jij overbrugt, but overbrug jij?
Questions about Dutch verbs
What is the past tense of overbruggen?
overbrugde (ik, jij, hij/zij/het) and overbrugden (wij, jullie, zij).
What is the past participle of overbruggen?
overbrugd, with hebben: ik heb overbrugd.
Is overbruggen used with hebben or zijn?
With hebben: ik heb overbrugd, hij heeft overbrugd.
More verbs
All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker
Want to stop looking words up?
The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.
Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.