Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level A2 · Regular

Sparen conjugation

sparen = to save money

Infinitive
sparen
Past
spaarde · spaarden
Perfect
heeft gespaard

Quick answer

Sparen means to save money. Past tense: spaarde (singular) and spaarden (plural). Past participle: gespaard, with hebben: ik heb gespaard.

Practise sparen

Present (tegenwoordige tijd)

ikspaar
jijspaart
hij/zij/hetspaart
wijsparen
julliesparen
zijsparen

Past (verleden tijd)

ikspaarde
jijspaarde
hij/zij/hetspaarde
wijspaarden
julliespaarden
zijspaarden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gespaard
jijhebt gespaard
hij/zij/hetheeft gespaard
wijhebben gespaard
julliehebben gespaard
zijhebben gespaard

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gespaard
jijhad gespaard
hij/zij/hethad gespaard
wijhadden gespaard
julliehadden gespaard
zijhadden gespaard

Future (toekomende tijd)

ikzal sparen
jijzult sparen
hij/zij/hetzal sparen
wijzullen sparen
julliezullen sparen
zijzullen sparen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou sparen
jijzou sparen
hij/zij/hetzou sparen
wijzouden sparen
julliezouden sparen
zijzouden sparen

Practise sparen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is spaar. The infinitive sparen has r before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (spaarde, spaarden) and the participle ends in -d (gespaard).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij spaart, but spaar jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of sparen?

spaarde (ik, jij, hij/zij/het) and spaarden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of sparen?

gespaard, with hebben: ik heb gespaard.

Is sparen used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gespaard, hij heeft gespaard.

More verbs

All verbsDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.