Dutch Fluency
Encontrar mi nivelNivel
Iniciar sesión

Nivel A2 · Regular

Conjugación de Roken

roken = fumar, humear

Infinitivo
roken
Pasado
rookte · rookten
Perfecto
heeft gerookt

Respuesta rápida

Roken significa fumar, humear. Pasado: rookte (singular) y rookten (plural). Participio: gerookt, con hebben: ik heb gerookt.

Practica roken

Presente (tegenwoordige tijd)

ikrook
jijrookt
hij/zij/hetrookt
wijroken
jullieroken
zijroken

Pasado (verleden tijd)

ikrookte
jijrookte
hij/zij/hetrookte
wijrookten
jullierookten
zijrookten

Pretérito perfecto (voltooide tijd)

ikheb gerookt
jijhebt gerookt
hij/zij/hetheeft gerookt
wijhebben gerookt
julliehebben gerookt
zijhebben gerookt

Pluscuamperfecto (voltooid verleden tijd)

ikhad gerookt
jijhad gerookt
hij/zij/hethad gerookt
wijhadden gerookt
julliehadden gerookt
zijhadden gerookt

Futuro (toekomende tijd)

ikzal roken
jijzult roken
hij/zij/hetzal roken
wijzullen roken
julliezullen roken
zijzullen roken

Condicional (voorwaardelijke wijs)

ikzou roken
jijzou roken
hij/zij/hetzou roken
wijzouden roken
julliezouden roken
zijzouden roken

Practica roken

Seis formas rápidas. Escribe la respuesta, pulsa Enter y mira al momento si es correcta.

1 de 60 ✓

Presente

ik

roken en una frase

Completa con la forma correcta. La frase te indica quién y cuándo, y al comprobar tu respuesta ves qué significa.

  1. Presente

    De schoorsteen van het oude huis de hele dag.

  2. Pasado

    Mijn opa vroeger elke dag een pijp.

  3. Pretérito perfecto

    Zij al jaren niet meer .

  4. Oración subordinada

    Ik loop weg als jullie in de kamer .

Cómo funciona este verbo

  • Verbo regular. La raíz es rook. En el infinitivo roken hay una k antes de -en, uno de los sonidos de 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), así que el pasado lleva -te (rookte, rookten) y el participio termina en -t (gerookt).
  • Cuando jij va después del verbo, se pierde la -t: jij rookt, pero rook jij?

Preguntas sobre los verbos neerlandeses

¿Cuál es el pasado de roken?

rookte (ik, jij, hij/zij/het) y rookten (wij, jullie, zij).

¿Cuál es el participio de roken?

gerookt, con hebben: ik heb gerookt.

¿El verbo roken va con hebben o con zijn?

Con hebben: ik heb gerookt, hij heeft gerookt.

Más verbos

Todos los verbosTodos los verbos de la A a la ZVerbos separables: reglas y comprobadorComprobador de de o het

¿Quieres dejar de buscar cada palabra?

La prueba de nivel gratuita muestra dónde está tu neerlandés y qué aprender después.

Formas comprobadas con Wiktionary. Los tiempos compuestos usan las formas fijas de hebben, zijn, zullen y zou.