Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B2 · Regular

Falen conjugation

falen = to fail

Infinitive
falen
Past
faalde · faalden
Perfect
heeft gefaald

Quick answer

Falen means to fail. Past tense: faalde (singular) and faalden (plural). Past participle: gefaald, with hebben: ik heb gefaald.

Practise falen

Present (tegenwoordige tijd)

ikfaal
jijfaalt
hij/zij/hetfaalt
wijfalen
julliefalen
zijfalen

Past (verleden tijd)

ikfaalde
jijfaalde
hij/zij/hetfaalde
wijfaalden
julliefaalden
zijfaalden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb gefaald
jijhebt gefaald
hij/zij/hetheeft gefaald
wijhebben gefaald
julliehebben gefaald
zijhebben gefaald

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad gefaald
jijhad gefaald
hij/zij/hethad gefaald
wijhadden gefaald
julliehadden gefaald
zijhadden gefaald

Future (toekomende tijd)

ikzal falen
jijzult falen
hij/zij/hetzal falen
wijzullen falen
julliezullen falen
zijzullen falen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou falen
jijzou falen
hij/zij/hetzou falen
wijzouden falen
julliezouden falen
zijzouden falen

Practise falen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is faal. The infinitive falen has l before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (faalde, faalden) and the participle ends in -d (gefaald).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij faalt, but faal jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of falen?

faalde (ik, jij, hij/zij/het) and faalden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of falen?

gefaald, with hebben: ik heb gefaald.

Is falen used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb gefaald, hij heeft gefaald.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.