Dutch Fluency
Find my levelLevel
Login

Level B1 · Regular

Borrelen conjugation

borrelen = to have drinks

Infinitive
borrelen
Past
borrelde · borrelden
Perfect
heeft geborreld

Quick answer

Borrelen means to have drinks. Past tense: borrelde (singular) and borrelden (plural). Past participle: geborreld, with hebben: ik heb geborreld.

Practise borrelen

Present (tegenwoordige tijd)

ikborrel
jijborrelt
hij/zij/hetborrelt
wijborrelen
jullieborrelen
zijborrelen

Past (verleden tijd)

ikborrelde
jijborrelde
hij/zij/hetborrelde
wijborrelden
jullieborrelden
zijborrelden

Perfect (voltooide tijd)

ikheb geborreld
jijhebt geborreld
hij/zij/hetheeft geborreld
wijhebben geborreld
julliehebben geborreld
zijhebben geborreld

Past perfect (voltooid verleden tijd)

ikhad geborreld
jijhad geborreld
hij/zij/hethad geborreld
wijhadden geborreld
julliehadden geborreld
zijhadden geborreld

Future (toekomende tijd)

ikzal borrelen
jijzult borrelen
hij/zij/hetzal borrelen
wijzullen borrelen
julliezullen borrelen
zijzullen borrelen

Conditional (voorwaardelijke wijs)

ikzou borrelen
jijzou borrelen
hij/zij/hetzou borrelen
wijzouden borrelen
julliezouden borrelen
zijzouden borrelen

Practise borrelen

Six quick forms. Type the answer, press Enter and see straight away if it is right.

1 of 60 ✓

Present

ik

How this verb works

  • Regular verb. The stem is borrel. The infinitive borrelen has l before -en, which is not in 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), so the past tense takes -de (borrelde, borrelden) and the participle ends in -d (geborreld).
  • When jij comes after the verb, the -t drops: jij borrelt, but borrel jij?

Questions about Dutch verbs

What is the past tense of borrelen?

borrelde (ik, jij, hij/zij/het) and borrelden (wij, jullie, zij).

What is the past participle of borrelen?

geborreld, with hebben: ik heb geborreld.

Is borrelen used with hebben or zijn?

With hebben: ik heb geborreld, hij heeft geborreld.

More verbs

All verbsAll verbs A to ZSeparable verbs: rules and checkerDe or het checker

Want to stop looking words up?

The free level test shows where your Dutch is now and what to learn next.

Forms checked against Wiktionary. Compound tenses use the fixed forms of hebben, zijn, zullen and zou.